`Professionalisering gaat te langzaam'

Na ruim negen jaar verlaat topsportcoördinator Ad Roskam (44) de Nederlandse zwembond. Per 1 april treedt de Fries in dienst als technisch adviseur bij NOC*NSF. ,,Topsport is geen gewone baan.''

Hij riep het vaak, soms té vaak en té graag: ,,Topsport laat geen ruimte voor compromissen. Wie kiest voor een bestaan als topzwemmer, zal daar naar moeten leven. Zo niet, ook goed, even goede vrienden. Maar ga dan lekker viool spelen en pretendeer vooral niet aan topsport te doen.''

Als de bevlogen topsportcoördinator van de Nederlandse zwembond (KNZB) droeg Ad Roskam (44) die confronterende boodschap ruim negen jaar met verve uit. Niet tot ieders tevredenheid overigens. Achter de schermen vervloekten de zwemmers hem meer dan eens als die cynische betweter die altijd maar weer het laatste woord wenste te hebben. Hij weet het. Grijnzend: ,,De verleiding van het laatste woord kan ik negen van de tien keer niet weerstaan.''

Vandaag is Roskam op bezoek in Dordrecht, de derde en laatste tussenstop in het nationale Grand-Prixcircuit. Veel veranderde ten goede de afgelopen jaren. Al blinken Nederlandse zwemgala's en `Dordrecht' vormde afgelopen weekeinde geen uitzondering op die regel nog maar al te vaak uit in knulligheid: met Kabouter Plop-muziek die door de speakers schalt en overijverige moeders die glaasjes cola serveren langs de rand van het bassin. Het deert Roskam niet. ,,Zolang er maar hard gezwommen wordt.''

Samen met oud-bondscoach René Dekker (1993-'98) stond Roskam aan de basis van de ommezwaai in het Nederlandse zwemmen, dat bij de Olympische Spelen in Barcelona ('92) een tragisch dieptepunt beleefde. Resoluut brak het tweetal met het verstikkende kuddedenken en vrijblijvende amateurisme. Individualisme en (semi-)professionalisme waren de speerpunten van het beleid, waarvan de eerste resultaten tastbaar werden bij de Spelen van Atlanta ('96), met twee bronzen medailles voor Kirsten Vlieghuis. Sindsdien keerde de nationale ploeg steevast met een handvol prijzen terug van een titeltoernooi.

Vanaf maandag staat Roskam op de loonlijst bij NOC*NSF, ook al blijft de oud-trainer van Orca (Leeuwarden) tot 1 juni nog één dag in de week werkzaam op het KNZB-bureau ,,om de lopende zaken af te handelen''. Technisch adviseur luidt officieel zijn nieuwe functie bij de sportkoepel. Wat in zijn geval neerkomt op ,,het praten, luisteren en informeren'' van trainers, coaches en begeleiders in de Nederlandse sport.

Hij kon aan de slag in Engeland en Zweden, maar koos opmerkelijk genoeg voor een verlengd verblijf in het land dat hij af en toe verfoeit. ,,Nederland durft niet te kiezen voor topsport'', mokte Roskam afgelopen zomer nog, toen het getreuzel met de bouw van het (toegezegde) nationale zwemstadion ter sprake kwam. ,,Ik erger me aan halfslachtige maatregelen, en dat zal ik blijven doen'', zegt hij nu. ,,Waar ik ook ben. Want reken maar dat ook buiten Nederland nog veel te verbeteren valt.''

Het is hoe dan ook tijd om op te stappen bij de zwembond, want: ,,Na zo'n lange tijd neemt mijn effectiviteit langzaam maar zeker af. Ik ben van nature nogal ongeduldig en perfectionistisch, dus stel ik alles in het werk om de zaken naar mijn hand te zetten. Dat leidt soms tot confrontaties waarbij mensen en dus de werkverhoudingen beschadigd worden, waardoor mijn boodschap steeds minder goed overkomt.''

Met gemengde gevoelens verlaat Roskam de bond, die nog geen geschikte opvolger heeft gevonden. Het topzwemmen staat grotendeels op de rails, met bovendien vakkundige beleidsmakers (Cees-Rein van den Hoogenband, Cees Vervoorn, Hans Elzerman) aan de zijlijn, constateert Roskam. ,,Maar ik signaleer ook minpunten. Als ik kijk naar het tempo waarin de professionalisering zich voltrekt, dan zeg ik: dat gaat de laatste twee, drie jaar te langzaam. In sommige gevallen is zelfs sprake van stagnatie.''

Neem de Stichting Topsport Zwemmen, die nog altijd slechts op papier bestaat. Reeds een jaar voor de Spelen van Sydney (2000) trof Roskam voorbereidingen voor de opzet van een slagvaardig orgaan dat – los van de KNZB – voortaan de belangen van het topzwemmen zou behartigen. Bij zijn afscheid lijkt het dan eindelijk zover. ,,Maar het heeft tweeënhalf jaar te lang geduurd. Het dualisme waar elke bond mee te maken heeft, met aan de ene kant de top- en aan de andere kant de breedtesport, is een sta-in-de-weg geweest. Dat onderstreept ook meteen de noodzaak van zo'n stichting, want – zonder de breedtesport buitenspel te willen zetten – topsporters zijn gebaat bij korte lijnen en snelle beslissingen.''

Zorgen maakt Roskam zich verder over de tweedeling in het Nederlandse zwemmen, waar de kloof tussen de top (Pieter van den Hoogenband, Inge de Bruijn) en de subtop de afgelopen jaren eerder groter dan kleiner is geworden. ,,Een aantal zwemmers dreigt de slag te missen. Die beoefenen topsport alsof het een gewone baan is. En als topsport iets niet is, dan is het wel een gewone baan. Toch denken en leven ze zo. Omdat ze niet beter weten of omdat ze doodgewoon niet willen en/of kunnen.''

Niet alleen de zwemmers, ook hun begeleiders zouden eens een kritische blik in de spiegel moeten werpen, meent Roskam. Ter illustratie wijst hij op de Formule I. ,,Daar mag je van vinden wat je wil, maar één ding is zeker: het is een optimaal georganiseerde topsportfabriek. Met voor elk detail een vakman of -vrouw, die onderling perfect op elkaar afgestemd zijn. Op zwemgebied is dat Utopia, hoewel: het zwemmen biedt momenteel voldoende mogelijkheden om in de breedte beter te presteren dan nu gebeurt. Dan komt het vooral aan op willen, en dat begint bij de sporter. Niet bij de bond en ook niet bij een coach.''

Rest de vraag of hij, de programmamanager met de uitgesproken ideeën, wellicht toch te lief is geweest? Roskam, bedachtzaam: ,,Ik zou die vraag anders willen formuleren. Heb ik voldoende tijd en energie in de zwemmers geïnvesteerd, zodat zij het vak van topsporter nu beter begrijpen en dus beter uitoefenen? Dan is het antwoord heel eerlijk `nee'. En ja, dat reken ik mezelf aan.''

Kortom? ,,We zijn op de goede weg, met een soort beroepsopleiding voor jonge zwemmers in de vorm van het talentontwikkelingstraject. Dat stáát, maar als ik dan toch een verlanglijstje zou mogen indienen, zou mijn voorkeur uitgaan naar een intensiever begeleidingsprogramma voor jeugdig talent. Waarbij de nadruk niet op nog méér zwemmen zou moeten liggen, maar vooral op de vraag: hoe oefen ik mijn vak uit en wat komt daarbij kijken?''