Overdreven sterven

Hoe groot is de kans dat een volgende meteoriet op de aarde inslaat en weer bijna alle leven wegvaagt, zoals 65 miljoen jaar geleden gebeurde? Wellicht veel kleiner dan we tot nu toe aannamen, schrijven de Amerikaanse paleontologen Shanan Peters en Michael Foote deze week in het wetenschappelijk tijdschrift Nature. Peters en Foote, verbonden aan de universiteit van Chicago, stellen in hun artikel vraagtekens bij de betrouwbaarheid van fossiele bestanden. Aan de hand van die bestanden leiden paleontologen af wanneer bepaalde soorten op aarde voorkwamen, en wanneer ze uitstierven. Zo zijn ze bijvoorbeeld aan de `Grote Vijf' gekomen: de vijf tijdstippen waarop soorten massaal uitstierven.

De grootste slachting aller tijden speelde zich 245 miljoen jaar geleden af. Van alle in zee levende diersoorten stierf 96 procent uit. Veel van die uitstervingsgolven zouden veroorzaakt zijn door meteorietinslagen. ``Althans, dat denkt men'', zegt Foote desgevraagd via de telefoon. Maar samen met collega Peters vraagt hij zich al enige tijd af of dat wel echt zo is. Waren de uitstervingsgolven werkelijk zo groot? Of zijn het eigenlijk artefacten in de fossiele bestanden? Misschien wel dat laatste, concluderen Peters en Foote. Ze hebben namelijk ontdekt dat de uitstervingsgolven een verband vertonen met de beschikbaarheid van sedimentaire aardlagen, waarin fossielen worden aangetroffen. Zo hebben paleontologen weinig fossielen uit het Trias (van 245 tot 208 miljoen jaar geleden), maar tegelijkertijd is er ook weinig sedimentaire rots beschikbaar van die periode. ``Ik wil niet zeggen dat de paleontologie nou krakend tot stilstand komt, maar het kan grote gevolgen hebben.''

De discussie over de betrouwbaarheid van fossiele bestanden is niet nieuw, zegt Foote. ``Er wordt al decennia lang over gekonkeld.'' Maar zo nu en dan legt iemand weer de vinger op de zere plek. Zo toonde Andrew Smith, van het Natural History Museum in Londen, onlangs weer eens aan dat de bestanden grote gaten vertonen. ``Van het Trias zijn weinig fossielen bekend, dus is het ook moeilijk om van die periode een evolutionair patroon vast te leggen'', zegt Foote. En van het Krijt (van 144 tot 65 miljoen jaar geleden) en het Ordovicium (van 505 tot 438 miljoen jaar geleden) zijn weliswaar wèl veel fossielen bekend, maar die komen met name uit de omgeving van Noord-Amerika en West-Europa. Van het zuidelijk halfrond is veel minder bekend. Bovendien zijn landdieren over het algemeen slecht vertegenwoordigd, want een dood dier fossiliseert het beste in een zuurstofloze omgeving. ``Dus, onder water'', zegt Foote. Maar ook weer niet te diep. Want oceaanbodems worden onder invloed van de platentektoniek, de beweging van de aardplaten langs en over elkaar, gerecycled. ``De oudst bekende oceaanbodem is 180 miljoen jaar'', zegt Foote. ``Dus van alle leven dat eerder op een oceaanbodem is gefossiliseerd, is elk spoor verdwenen.'' Daar komt nog bij dat oceaanbodems sowieso moeilijk te bereiken zijn.

sepkoski's compendium

Foote en Peters gingen bij hun onderzoek uit van Sepkoski's compendium. Dat is een veelgebruikte databank waarin de paleontoloog Jack Sepkoski, tot aan zijn dood drie jaar geleden, 35.000 plant- en diergeslachten wist te verzamelen. Veruit de meeste data verzamelde hij van ongewervelde zeedieren. Op basis van dat compendium kwam Sepkoski, samen met David Raup, onder andere tot de conclusie dat de uitstervingsgolven zich de afgelopen 250 miljoen jaar met een ijzeren regelmaat voordeden. Iedere 26 miljoen jaar zou zo'n golf optreden. Maar ook die hypothese verwerpt Foote. ``Ik vind daar geen aanwijzingen voor.'' Paleontoloog Michael Benton, van de universiteit van Bristol, kwam zeven jaar geleden in Science al tot dezelfde conclusie.

Peters en Foote legden de uitstervingsgegevens van Sepkoski's compendium naast data over de beschikbaarheid van sedimentaire aardlagen. En vonden een opmerkelijk verband. De geologische tijdvakken waarvan veel sediment beschikbaar is – en waarvan dus veel fossielen kunnen worden gevonden – worden steeds voorafgegeaan door een periode waarin het uitsterven afneemt. En andersom, een periode waarin het uitsterven toeneemt wordt op de voet gevolgd door een periode waarin minder sediment beschikbaar is. Foote: ``Als er minder sediment is, daalt de kans dat je daarin het laatste exemplaar van een soort aantreft. Daarmee verschuift de uitstervingsgrens dus naar achteren. De soort lijkt eerder uit te sterven dan in werkelijkheid het geval was. Dat vertroebelt het beeld.''

Of het daadwerkelijk om een artefact gaat, is volgens Foote nog niet duidelijk. ``Het kan ook zijn dat de uitstervingsgraad en de beschikbaarheid van sedimentaire rots een gezamenlijke oorzaak hebben, bijvoorbeeld het stijgen van de zeespiegel.'' Daarom wil hij zelf bijvoorbeeld de theorieën over de Grote Vijf, en over de meteorietinslagen, niet meteen over boord gooien. ``Ik geloof dat die uitstervingsgolven er wel echt zijn geweest, de afgelopen 500 miljoen jaar. De vraag is alleen of ze ook zo heftig waren als we nu denken.''

Shanan Peters, co-auteur van het Nature-artikel, gelooft juist wel dat er sprake is van een artefact. Volgens haar zijn de ideeën over de uitstervingsgolven aan een grondige herziening toe zijn. Foote: ``We hebben het in ons artikel daarom maar in het midden gelaten.''