Met de mode mee

Onlangs hoorde ik Paul Rosenmöller beweren dat hij het indertijd met zijn nieuwe partij toch ook zo slecht niet had gedaan. Dat getuigde van een gebrekkig historisch besef. Groenlinks was geen nieuwkomer. Dat gold alleen de naam. Voor het overige is die partij net zo oud als zijn wortels. Daarvan getuigde Femke Halsema.

In het chique hotel de Grand in Amsterdam werd een discussie gevoerd over de kwaliteit van de ict-paragraaf in de programma's van de verschillende politieke partijen die ook een rapportcijfer hadden gekregen. Verder werden hun opvattingen geïllustreerd aan de hand van hilarische korte filmpjes. Deze luchtige presentatie maakte duidelijk dat die cijfers vooral bedoeld waren om de discussie te stimuleren. Halsema bleek daar niet gevoelig voor. Conform de CPN-traditie vermoedde zij achter haar onvoldoende één groot complot van de organisatoren met een PvdA achtergrond. Verder vroeg ze zich af wat dit allemaal wel niet gekost mocht hebben; nog zo'n ijzersterk arbeideristisch argument. Ook wees ze op de maatschappelijke kloof in toegang tot ict. Haar kloof was natuurlijk die tussen arm en rijk. Ook dat getuigde meer van gestaalde kaders-denken dan van oog voor de realiteit. De ict-kloof is er namelijk niet een tussen arm en rijk, maar tussen oud en jong. Dat ziet iedereen die meer oog heeft voor de werkelijkheid dan voor aloude dogma's.

De meeste aandacht in de discussie ging uit naar onderwijs. Dat moet dankzij ict allemaal heel anders, meer geïndividualiseerd ook. De vanzelfsprekendheid daarvan maakt dat politici en beleidsmakers de lof tuiten over de veranderingen door ict zonder daar ook inhoud aan te geven. Daardoor blijft het een discussie met een hoog lege ballon-gehalte. Zoals ook hier het geval was.

Hetzelfde geldt voor een ander modethema: meer ondernemerschap in het onderwijs. De wenselijkheid daarvan wordt eveneens zo vanzelfsprekend geacht dat redelijk argumenteren niet meer nodig lijkt. Van dit laatste getuigde vorige week in deze bijlage de rector-magnificus van de universiteit van Twente, Van Vught. Die legt daarin uit dat het hoger onderwijs geen collectief, maar een privaat goed is en dus privaat gefinancierd mag worden want het voldoet aan de twee criteria die daarvoor gelden: rivaliteit en uitsluiting. Van rivaliteit: `De aandacht van een hoogleraar kan voor de ene student groter zijn dan voor de ander.' Van uitsluiting: `Een stageplaats voor de één betekent dat die niet beschikbaar is voor de ander.' Op grond van deze overwegingen is ook het onderwijs aan kleuters een privaat goed. Geen redenering is de professor blijkbaar te dwaas bij het bepleiten van meer financiële vrijheid. Daarom ook probeert hij u wijs te maken dat daar de oorzaak ligt van de te geringe internationale concurrentiekracht van onze universiteiten. Dat is een grote leugen. De oorzaak daarvan, voorzover daar sprake van is, moet worden gezocht in het provincialisme van de universiteiten die meer oog hebben voor elkaar dan voor kwaliteit met als gevolg het ontbreken van onderlinge afstemming en taakverdeling tussen de instellingen. Als bij de universiteiten de kwaliteit van onderwijs en wetenschap steeds voorop hadden gestaan bij het beleid, hadden ze er nu heel anders uitgezien.

VanVught heeft, zo blijkt deze week, de minister te hulp geroepen omdat de financiële problemen Twente boven het hoofd zijn gegroeid. Te veel uitgegeven aan onderwijs of aan wetenschap? Was dat maar waar. Het is het gevolg van een uit de hand gelopen vastgoedplan voor de campus. Daardoor ziet de universiteit zich gedwongen te snoeien in de faculteiten. Ondernemen is blijkbaar ook een vak.

prick@nrc.nl