Leens - Pieterburen

Joyce Roodnat wandelt door Nederland en de rest van de wereld. Deze week: Groningen.

De zon straalt zelfs al op de vroege morgen, maar het blijkt regelrecht guur te zijn. Ik heb, overmoedig door het geschitter en al dat strakke, vrijwel wolkenloze blauw, sjaal en hoed niet meegenomen. Nu zoek ik dekking achter mijn zo hoog mogelijk opgetrokken rits en trek mijn vingers in mijn mouwen. De wind maakt het licht eens zo helder en de verten eens zo mooi, maar de warmte wordt weggeblazen.

Ik mag niet zeuren, ik had beter moeten weten. Ik bewandel immers het Groningse land en daar waait het, om je dijen en tot in je nek. Altijd. ,,Dit noemen ze hier windstil'', zegt de Drent, die `wel eens iets anders wilde' en emigreerde naar het dorp Wehe den Hoorn. Hij beknort zijn lieftallig slanke bouvier Annoesjka. Tot zijn nauwelijks verhulde vertedering joeg ze achter een fietser aan, wat ze helemaal niet kwaad bedoelt, ze maakt gewoon plezier. Hij is van Groningen gaan houden, benadrukt hij, hij geniet van de ruimte, gaat elke dag kijken zo ver als hij kan. Maar soms verlangt hij terug naar Drenthe, daar was bos. De wind blaast Annoesjka's kapsel in de war. Er zit inderdaad geen kwaad bij, dat zie je zo.

Hier gearriveerd na de losse rode huisjes van Leens, de vérstrekkende akkers en velden erachter en de potdichte schuren van een `Zeugenproduktiebedrijf', vervolg ik de wad-route door het Noord-Groningse land. Ik zie de zee niet, ik ruik hem wel. In de leegte, waarin torenspitsen twee keer zo fel omhoog priemen, glanst de zon op dikke, vers omgewoelde krullen grond. Meeuwen achtervolgen de trekker die aan de overzijde van de akker keert voor een volgende baan ploegen. Ik loop harder dan anders, want dat maakt warm. Het zien van zachte wilgenkatjes trouwens ook. Ik wil ze altijd aaien, maar dat is kinderachtig dus dat laat ik na.

Er zijn veel dromerige bruggen en bruggetjes, afgewisseld door wat wandelcorvee braaf voortbenen over de witte streep langs asfalt met veel auto's. In Groningen moet daarvoor in de berm worden gesprongen, want men rijdt hier hard. En dan gaat het weer uitvoerig langs stille schelpenpaadjes. Ze kronkelen over ruime rechte stukken kale grond met oude scherpe scheuten. Ze voeren langs bijna lege sloten tussen steile wallekanten die al geel zien van de bloemetjes van kleinhoefblad. En leiden ze naar de beschutting van een dubbele rij bomen, pas gesnoeid, tussen de stammen liggen ordelijk de takken en twijgen opgestapeld.

In Pieterburen slaan we de zeehondencrèche over. We gaan naar binnen in Het Wapen van Hunsingo, daar kun je degelijk eten en lekker slapen. Voor het terras staat een bord dat vermeldt dat zich hier het officiële startpunt van het Pieterpad bevindt. O ja, dat Grote Werk moet ook nog eens worden verricht.

Kaarten 5, 6, 7 (13 km) uit Jan de Boer: Wad- en wierdenpad. Uitg. Stichting Lange-Afstand-Wandelpaden.

Inl. openbaar vervoer tel. 0900 9292.

Regiotaxi tel. 0900 0911.