Kleine verzamelaar hoeft fiscus niet te vrezen

Het aanleggen van een verzameling kost geld, maar kan ook winst opleveren. Pas bij echte beleggers wil de fiscus wel eens in actie komen.

Een toegewijd verzamelaar verandert na verloop van tijd vanzelf in een deskundige, iemand bij wie anderen graag aankloppen om goede raad. Zo leer je gaandeweg de waarde van je spullen kennen, de markten, de kopers, verkopers en verzamelaars, de voordeligste koopprijzen en verkoopprijzen enzovoort. Je wordt deskundig.

Wie dat stadium bereikt, gaat ook een beetje handelen met zijn spullen. Eerst in de overtollige en minder fraaie stukken van je collectie en later gewoon omdat je het niet laten kan of omdat het geld oplevert. Je weet waar je iets voor bijvoorbeeld tien euro kan kopen en waar je het binnen een paar dagen voor honderd euro kwijt kan. Dat werkt verslavend en voor je het weet verander je van een eenvoudige verzamelaar in een kleine handelaar.

Hoe pakt dat fiscaal uit? Je koopt immers voor tien euro, verkoopt voor honderd en verdient 90 euro. Is dat vrij van inkomstenbelasting? Ja, in deze opzet wel. Er moet heel wat gebeuren voordat de fiscus bij je aanklopt voor zijn deel van de winst. Vergeet niet dat wanneer de belastingdienst je activiteiten beschouwt als een bron van inkomsten, je alle onkosten die drukken op die bron mag opvoeren. Voorbeelden: aankoopkosten, opslagkosten, verzekeringen, beveiliging, onderhoud, slijtage enzovoort.

Welke belastingen spelen er mogelijk een rol? De inkomstenbelasting in box 1 en de vermogensrendementsheffing van 1,2 procent in box 3. Wat verder weg: de BTW op zaken die je koopt en verkoopt. En natuurlijk het successierecht (erfenisbelasting) dat je erfgenamen moeten betalen na je overlijden. De BTW en het successierecht blijven in dit artikel buiten beschouwing.

Maar hoe je het ook wendt of keert: het moet voor de fiscus altijd gaan om een verzameling met waarde. Die waarde wordt veelal bepaald door wat anderen ervoor willen betalen. Zeg maar: wat de gek ervoor geeft. En dat bedrag is nogal aan modegrillen onderhevig. De kostprijs van je verzameling bepaalt dus zelden de waarde. Twee recente voorbeelden uit de praktijk om dit te illustreren.

Enkele maanden geleden meldde zich bij de receptie van de Belastingdienst Buitenland in Heerlen een heer die vroeg om een M(igratie)-formulier. Een aangiftebiljet van 44 pagina's plus 115 pagina's toelichting voor mensen die vanuit Nederland emigreren of hier naartoe komen. Een gezond mens vermijdt zo'n stapel invul-ellende. Dus viel deze man op en nodigde men hem uit achter de balie. Wat bleek? Hij verzamelt aangiftebiljetten en toelichtingen van alle landen ter wereld. Een vorm van fiscaal masochisme, maar in Heerlen zien ze dat anders. Hij werd getrakteerd op vlaai en koffie, mocht uren vertellen over zijn hobby en ontving als dank ook nog het hem onbekende C-formulier, een iets dunner broertje van het M-formulier. Deze man hoeft niets te vrezen van de belasting: zijn verzameling is niets waard en hij zal niet van de verkoop kunnen leven.

Dat het in de praktijk weleens anders kan lopen, blijkt uit het volgende voorbeeld. Een heer uit Utrecht verzamelt alle verdragen en handvesten van de Verenigde Naties in verschillende talen sinds 1946. Een verzameling van tweeduizend boeken. Het leek hem een goed idee die voor een groter publiek open te stellen. Bijvoorbeeld een informatiepunt in een bibliotheek. Aanvankelijk zag de Utrechtse Gemeentebibliotheek er wel wat in en haalde de collectie bij hem op. Maar bij nader inzien zag de bibliotheek ervan af en de berg boeken werd verkocht aan een handelaar in oud papier, meldde het Utrechts Nieuwsblad vorige week zaterdag. De woedende verzamelaar eist nu via een advocaat een schadevergoeding van circa 130.000 euro. Dat is dus de waarde van zijn liefhebberij.

De Utrechter bezit dus al jaren een collectie van 130.000 euro. Moet hij dit over 2001 aangeven als een belegging in box 3? Nee. Artikel 5.8 van de wet zegt daar dit over: tot de (belaste) bezittingen (in box 3) behoren niet voorwerpen van kunst en wetenschap, tenzij deze hoofdzakelijk als belegging dienen. Indien deze voorwerpen deel uitmaken van een verzameling worden ze niet door dit enkele feit aangemerkt als belegging. Een verzamelaar zal daarom niet snel worden gevangen in box 3.

Hoe zit het dan met de eventuele inkomsten uit je hobby? Box 1 kent daarvoor wellicht de rubriek `Resultaat uit overige werkzaamheden'. Daaronder vallen inkomsten die geen winst uit onderneming zijn, maar evenmin loon uit een dienstbetrekking. Je kan stellen dat een verzamelaar daar pas mee te maken krijgt als zijn hobby geen liefhebberij meer is en de opbrengsten de kosten overtreffen, althans lange tijd achtereen. Dan ben je waarschijnlijk al een (pseudo) ondernemer of een kleine zelfstandige. Wie twijfelt over zijn of haar status, kan de belastinginspecteur vragen om een beschikking in deze. Zo komt vanzelf de fiscaal meest gunstige oplossing uit de bus.

Tot slot de rechterlijke uitspraak (uit 1996) in een hoogopgelopen conflict tussen een verzamelaar van tweedehands auto's en de inspecteur. Uit een onderzoek van de Belastingdienst bleek dat voormalig garagehouder A telkens gedurende een korte periode auto's op zijn naam had staan. In het desbetreffende jaar ging het om elf auto's. A kocht ze, knapte ze op en verkocht ze weer. Soms plaatste hij daarvoor een advertentie. De inspecteur stelde dat het om autohandel ging en bepaalde de netto-opbrengst per auto op 1.000 gulden (454 euro). Aangezien A nooit dergelijke inkomsten had opgegeven, legde de inspecteur een navorderingsaanslag op en een boete. A zag het anders. De verkoop van auto's was een hobby die per saldo geld had gekost. Dit door alle bijkomende kosten zoals overschrijving van het kenteken, de verzekering en de motorrijtuigenbelasting. Is deze navorderingsaanslag terecht opgelegd?

Volgens het hof stond vast dat A in auto's had gehandeld en daarvoor soms een advertentie plaatste. Hierdoor was er sprake van deelname aan het economisch verkeer. A beoogde geldelijk voordeel, dat ook te verwachten was, wegens zijn ervaring en deskundigheid. Gezien de bescheiden omvang van de activiteiten en de stellige bewering van A dat er sprake was van een hobby, werd de opbrengst per auto bepaald op 200 gulden (91 euro) en was een boete niet op zijn plaats.