ELEKTROSHOCK BIJ OP HOL GESLAGEN HART IS NIET ALTIJD HET BESTE

Een agressieve behandeling van de hartritmestoornis boezemfibrilleren is niet noodzakelijk beter dan een meer afwachtende, waarbij vooral de hartslag omlaag wordt gebracht. Dat blijkt uit twee onderzoeken die Canadese en Nederlandse cardiologen vorige week presenteerden op het congres van The American College of Cardiology in Atlanta. Volgens de leiders van het Nederlandse onderzoek, dr. Isabelle van Gelder uit Groningen en prof.dr. Harry Crijns uit Maastricht, zal de terughoudende benadering vooral ten goede komen aan patiënten bij wie de ritmestoornis vaak terugkomt of die vervelende bijwerkingen van anti-aritmatische medicijnen ondervinden.

Ruim vier procent van de 65-plussers lijdt aan boezemfibrilleren, één van de meest voorkomende hartritmestoornissen. Bij de normale hartslag trekken eerst de hartboezems samen en vullen de hartkamers met bloed. Die trekken dan op hun beurt samen. Elektrische impulsen van het prikkelgeleidingsysteem van het hart zorgen ervoor dat dit proces geordend verloopt. Bij boezemfibrilleren ontstaan hierin buitensporig veel impulsen waardoor de boezems abnormaal snel gaan samentrekken. De hartslag gaat daardoor vaak fors omhoog, waardoor de pompwerking van het hart afneemt. Een bijzondere complicatie is dat de kans op een beroerte met een factor vijf toeneemt. Dat komt doordat het bloed in de boezems vaak stilstaat zodat zich stolsels kunnen vormen. Zo'n stolsel kan later blijven steken in een bloedvat van de hersenen of de bloedvoorziening van andere organen in gevaar brengen.

Bij de behandeling van boezemfibrilleren bestaan grofweg twee strategieën. Meestal is de behandeling gericht op herstel van het normale hartritme. Doorgaans wordt het prikkelgeleidingsysteem met een stroomstoot op de borst tot de orde geroepen (elektrische cardioversie). Dat werkt meestal goed, maar het resultaat beklijft zelden en moeten anti-aritmatische geneesmiddelen het ritme goed houden. Het resultaat van deze behandeling is matig: na twee jaar heeft bijna de helft van de patiënten nog steeds het goede ritme. Bij de andere behandelingsstrategie staat verlaging van de hartfrequentie voorop en wordt de verstoring van het hartritme tot op zekere hoogte voor lief genomen, omdat daar meestal geen acute bedreiging van uitgaat.

Aan het Nederlandse onderzoek deden meer dan 500 patiënten uit 35 ziekenhuizen mee. Alle patiënten liepen bij de cardioloog wegens chronisch boezemfibrilleren. Ze waren gemiddeld 68 jaar; tweederde waren mannen. Bij de helft werd met elektrische cardioversie het verstoorde ritme behandeld, bij de anderen de abnormale frequentie. Alle deelnemers gebruikten medicijnen om stolselvorming te voorkomen. De verschillen tussen de twee groepen patiënten waren niet groot. De sterfte was in beide groepen ongeveer gelijk, evenals het aantal complicaties door stolsels of de behandeling daarvan. In de groep waarbij alleen de hartfrequentie werd verlaagd had de behandeling minder bijwerkingen. Ook waren er minder pacemakers nodig. De Canadese onderzoekers kwamen vanuit een ietwat andere proefopzet tot vergelijkbare bevindingen.