Een microkosmos van het beste uit Gods schepping

Verzamelen is van alle tijden. Maar wat in de ene eeuw als wonderbaarlijk object gold, bleek in de volgende eeuw nutteloos. De geschiedenis van het verzamelen in vogelvlucht.

In een overzicht van de geschiedenis van het verzamelen mag een definitie niet ontbreken. Want wat verstaan we eigenlijk onder een verzameling? Waar de een genoegen neemt met `een toevallige opeenhoping van willekeurige dingen', zal de ander veel verder gaan. Zo typeert de Poolse filosoof Krzysztof Pomian een verzameling als `elk geheel van natuurlijke of door mensen gemaakte voorwerpen die tijdelijk of voorgoed aan het circuit van economische activiteiten zijn onttrokken, aan een bijzondere bescherming worden onderworpen in een besloten ruimte die voor dat doel is ingericht en die worden uitgestald om bezichtigd te worden'. Over de definitie van het begrip verzamelen kun je twisten. Vast staat wél dat de meest uiteenlopende zaken deel uitmaken van verzamelingen.

Tegen het einde van de Middeleeuwen kwam de meest wonderbaarlijke en aantrekkelijke verzameling op: de encyclopedische. De trend werd gezet door Jan, hertog van Berry (1340-1416). Zijn verzameling bestond voor een groot deel uit kleine kostbaarheden en diende behalve als zichtbaar symbool van zijn vorstelijke status ook als een financiële reserveschat. In die zin onderscheidde zijn collectie zich niet van die van andere rijke en machtige heren. Maar anders dan hún verzamelingen, was de verzameling van de hertog van Berry geen toevallige opeenhoping van erfstukken, geschenken en willekeurige aankopen. Het was de vrucht van een passie.

Zijn passie gold zowel onbewerkte voorwerpen uit de natuur – de zogenoemde naturalia – als producten van menselijk vernuft en handvaardigheid – de artificialia. Tezamen vormen zij de twee hoofdcategorieën van wat later een encyclopedische verzameling zou gaan heten. Wat de hertog daarin aansprak was het kunstzinnige, het vreemde, of, zoals hij het zelf noemde: het wonderbaarlijke.

Andere machthebbers volgden zijn voorbeeld. Zoals de Medici's in Florence en Rudolf II in Praag (1552-1612). Rudolfs verzameling was ingebed in een wetenschappelijk onderzoeksprogramma waaraan geleerden als Tycho Brahe en Johannes Kepler belangrijke bijdragen leverden. Het geheel moest vooral zijn keizerlijke waardigheid onderstrepen. Voor de Medici's was het verzamelen mede een middel om een vorstelijke status te verwerven.

Ook burgers, maar dan wel bemiddelde, brachten alles wat ongewoon was bijeen – van kunstig draaiwerk in hout of ivoor, tot een kokosnoot of een vreemde vogel uit een ver land. Maar wat graag toonde de trotse bezitter zijn Kunst- und Wunderkammer (kunst- en rariteitenkabinet) aan bezoekers. Een exotisch of zeldzaam voortbrengsel uit de natuur deed daarbij niet onder voor een kostbaar artefact. De bezichtiging verschafte intens genot, het bezit een benijdenswaardig aanzien.

Voor andere verzamelaars was weetgierigheid, curiositas, de belangrijkste drijfveer. Vooral tijdens de Renaissance – toen de belangstelling voor het ongewone niet langer als een zonde gold – werd die groep steeds groter. Onbekende werelden werden ontdekt. Boeken over de exotische flora en fauna van Amerika, de gewoonten, opvattingen en artefacten van de indianen werden gretig gelezen. Ook de materiële resten van het oude Rome en andere antieke culturen werden, naast de oude teksten, bestudeerd.

Om greep te krijgen op de grote wereld, creëerden vorsten en geleerden in West-Europa een wereld in het klein. `Blijf staan, belangstellende, want hier in huis zult u, binnen in het Museum, de wereld, dat wil zeggen een microkosmos ofwel een compendium van alle zeldzame dingen, zien; wanneer u daarin staat, kunt u alle werelddelen in een ogenblik overzien.' Met deze woorden poogde de Franse arts en verzamelaar Pierre Borel in zijn Catalogue des choses rares qui sont dans le Cabinet de Maistre Pierre Borel (1649) mensen tot een bezoek aan zijn `museum' te verleiden.

Een verzameling moest in al haar rijkdom de volheid van Gods schepping weerspiegelen. Van alle soorten van de drie rijken van de natuur – stenen en mineralen, planten en dieren – probeerde de verzamelaar daarom een exemplaar in huis te krijgen. Ook de voortbrengselen van de mens zelf kregen een plaats in de verzameling, want ook díe verwezen naar God. Hij had het materiaal geschapen en was als Schepper hét voorbeeld voor de scheppende mens.

Encyclopedische verzamelingen waren doorgaans echter minder universeel dan men op grond van hun doelstelling – het creëren van een microkosmos – zou mogen verwachten. Het was natuurlijk ondoenlijk alles te verwerven en een plaats te geven, maar dat niet alleen: het gewone was nu eenmaal veel minder aantrekkelijk dan het zeldzame, vreemde en kostbare. Pas in de loop van de zeventiende eeuw begon onder natuuronderzoekers de belangstelling voor het gewone de overhand te krijgen. De curiositas kwam steeds meer bloot te staan aan kritiek: zij zou niets nuttigs opleveren en in haar speurtocht naar wetenswaardigheden als een blinde, dat wil zeggen onsystematisch, te werk gaan.

In de zestiende en zeventiende eeuw had het merendeel van de verzamelingen een gemengd karakter. Verzamelingen die geheel uit naturalia of artificialia bestonden, waren in de minderheid. Enkele humanisten hadden zich toegelegd op het verzamelen van antiquiteiten. Anderen, zoals aartshertog Leopold Wilhelm van Oostenrijk, gaven de voorkeur aan schilderijen.

De achttiende en negentiende eeuw geven een toenemende specialisatie te zien. Bij de encyclopedische verzameling werd al een onderscheid gemaakt tussen `natuur' en `kunst', maar nu worden hun voortbrengselen ook ruimtelijk gescheiden en verder onderverdeeld. Was het grootschalig verzamelen in de zestiende en de zeventiende eeuw vooral een bezigheid van privé-personen; in de eeuwen daarna wordt het steeds meer een taak van de overheid.

De particuliere verzamelaar verdwijnt naar de achtergrond, tenzij hij zijn naam heeft weten te verbinden aan een van de nationale musea die vooral in de negentiende eeuw in Europa werden gesticht. Volksverheffing was een van de motieven daarvoor. `Op Zondag zoude het – dunkt mij – zaak zijn de toegangen zoo wijd mogelijk open te stellen. De mindere man weet helaas dan met zijn ledigen tijd geen raad, en men zou een zeer moreel werk verrichten wanneer men hem in de gelegenheid stelde zijn hart en zijn geest te verheffen bij het zien van de heerlijke voortbrengselen van den Schepper of van de menschen', stelde Victor de Stuers in Holland op zijn smalst (1873), een aanklacht tegen het culturele wanbeleid in Nederland.

De samenstellende delen van de encyclopedische verzameling krijgen in deze musea hun eigen onderkomen: de naturalia in het natuurhistorisch museum; de artificialia in het kunsthistorisch museum. Voorwerpen uit verre en vreemde oorden vormen de basis van het etnografisch museum. Artefacten die uitsluitend getuigen van het ambachtelijk kunnen van de maker, krijgen een plaats op de kunstnijverheidsafdelingen van de kunstmusea of in een kunstnijverheidsmuseum.

De geschiedenis van het verzamelen is niet alleen een geschiedenis van het bijeenbrengen van voorwerpen, maar ook van het ordenen en presenteren daarvan. De museale verzamelingen worden in de achttiende en negentiende eeuw – wanneer het concept van de verzameling als microkosmos alweer achterhaald is – volgens nieuwe wetenschappelijke inzichten geordend. De geschiedenis van de ordening van een verzameling blijkt nauw verbonden met ontwikkelingen in de contemporaine wetenschappen.

Zo leidde de aanvaarding van het classificatiesysteem van de Zweedse arts en botanicus Carolus Linnaeus niet alleen tot een ingrijpende wijziging van de indeling van de natuurhistorische collecties. De indeling in klassen, orden, geslachten en soorten die Linnaeus in zijn Systema naturae (1735) voorstelde, vond aan het einde van de achttiende eeuw ook weerklank in de ordening van het `rijk' van de schilderkunst – in schilderscholen, die op hun beurt weer werden onderverdeeld in steeds fijnere vertakkingen. Deze indeling is, in combinatie met de wens de ontwikkelingsgeschiedenis van de kunst te laten zien, nog steeds de leidraad voor de huidige opstelling van de schilderijenverzamelingen in veel musea. Ook het museale verzamelbeleid wordt hierdoor bepaald. Het is geen toeval dat westerse musea zo sterk op elkaar lijken.

De kunst en de natuur, de samenstellende delen van de encyclopedische verzamelingen, zijn gaandeweg uit elkaar gegroeid. Terwijl in de zestiende en zeventiende eeuw de kunst nog werd gezien als een navolging van de natuur en omgekeerd de natuur zelf als een kunstrijk werk, worden de twee domeinen sinds de negentiende eeuw nauwelijks meer als vergelijkbaar beschouwd. Waar de natuur veel van haar goddelijke karakter verloor, won de kunst, en dan vooral de schilderkunst, juist een aura van sacraliteit. Het kunstmuseum werd een tempel, en daar heeft het nog steeds veel van weg.

Mieke Rijnders is docent aan de Open Universiteit Nederland. Samen met Ellinoor Bergvelt en Debora J. Meijers van de Universiteit van Amsterdam bereidt zij een cursus over de geschiedenis van het verzamelen voor.