Dodenrijk

De columns van Marjoleine de Vos waardeer ik. Ze zijn kunstzinnig en meestal religieus van aard. De schrijfster probeert het mysterie te benaderen. Zo ook in `Wie looft U in het dodenrijk?' (NRC Handelsblad, 25 maart).

In de week voor Pasen stelt ze verlies en stervensangst aan de orde, gerelateerd aan de doodstrijd van Christus en `de ochtend van de troost en de verlossing'. Een niet geheel juiste stand van zaken geeft ze, wanneer ze de paasgedachte in tegenstelling met de psalmen ziet en zegt: `Pas het christendom gaat door de dood heen, en richt zich op iets dat nog moet komen'. Het is niet zo dat het in het Oude (of eerste) Testament van de bijbel ten aanzien van de verwachting van het eeuwige leven donker blijft. In een en dezelfde psalm vind je soms de stille, sombere leegte van de dood en het voor altoos met vreugde omgord en uit de dood opgetrokken zijn bij elkaar gezet. Dat is ook het geval in de geciteerde verzen 15 en 16 van Psalm 103. Het mensenleven is daar bijna niets. Maar die troosteloosheid kan alleen maar worden uitgezegd wanneer er ook iets staat van de goedheid van een God `die uw leven verlost van de groeve' (vers 4). Dan is de plaats, die de bloem niet meer kent, juist ook de plaats van `de moeder van de bloem', zoals De Vos dat poëtisch zegt. Niet het einde, maar doorbloeien, óvergaan is dan het troostend geheim.