`De mens is geen ongelukje'

Als de Aarde het over mag doen, ontstaat er na 3,5 miljard jaar toch weer een mensachtig intelligent leven. Dat is onvermijdelijk, zegt paleontoloog Simon Conway Morris.

Juist de Burgess Shale in Canada, één van de rijkste vindplaatsen van miljoenen jaren oude fossielen ter wereld, heeft tweespalt gezaaid onder twee vooraanstaande paleobiologen. Het debat gaat tussen Stephen J. Gould, hoogleraar aan de universiteit van Harvard, en Simon Conway Morris, hoogleraar paleobiologie aan de universiteit van Cambridge.

Wat Gould betreft moeten we de rijkdom aan inmiddels uitgestorven levensvormen die in de Burgess Shale voorkwamen interpreteren als `experimenten van de evolutie'. Gould zette zijn visie uiteen in zijn boek Wonderful life (1989). Volgens hem is de evolutie een kolossale loterij waarin het toeval heeft bepaald welke schepsels zijn overgebleven.

Simon Conway Morris (50) beschreef veel fossielen uit de Burgess Shale en trad zo op als een van de `helden' in Goulds boek. Dat was tegen wil en dank, want Morris moet niets hebben van Goulds theorie. Morris schreef met The crucible of creation een tegenboek, waarin hij Gould fel aanviel en hij legde net de laatste hand aan een manuscript voor een tweede boek. Conway Morris sprak half maart in Utrecht op een congres over evolutie, georganiseerd door Natuur & Techniek en Studium Generale. Daar vond hij voor zijn gloedvolle en humoristische betoog een ademloos luisterend publiek.

``Gould slaat de plank totaal mis,'' zegt Conway Morris naderhand in een gesprek. ``Volgens hem is de evolutionaire geschiedenis zo onvoorspelbaar dat elke kleine verandering in de geschiedenis de evolutie van het leven in een totaal andere richting heeft gestuurd. Hij zegt dat de kans op het verschijnen van zoiets als de mens onwaarschijnlijk klein is. Ik beweer precies het tegenovergestelde.''

Uw stelling dat de evolutie een richting heeft is erg omstreden onder biologen, die er doorgaans op hameren dat de evolutie geen doel heeft. Hoe denkt u daarover?

Conway Morris: ``De evolutie heeft inderdaad geen doel, maar wel een richting, en daardoor is het voorspelbaar. Niet één richting overigens, maar heel veel verschillende. Alles wat ik daarmee wil zeggen is dat wanneer je een aardachtige planeet hebt en drie miljard jaar de tijd, het onvermijdelijk is dat er in die tijd een vorm van geavanceerd intelligent leven ontstaat. En als er buitenaards leven is, lijkt dat op het aardse leven, inclusief intelligente mensachtige vormen. Convergenties, het onafhankelijk van elkaar ontstaan van dezelfde vormen, spelen daarbij een cruciale rol. Neem als voorbeeld de vraag wat een dier nodig heeft om intelligent te zijn? Het moet warmbloedig zijn dat is vrijwel zeker, het moet geavanceerde sociale systemen hebben waar op zichzelf al een hele serie convergenties voor nodig is en het moet een goed ontwikkeld zenuwstelsel hebben. Ook in het zenuwstelsel zijn grote overeenkomsten, bijvoorbeeld tussen insecten en gewervelde dieren. En niet alleen in de bouw van het orgaan, maar ook op moleculair niveau.

``Ik ben dus op zoek naar de zaken die het leven ondersteunen, in plaats van mij druk te maken over sporen van meteorietinslagen in het sediment of het uitsterven van dinosaurussen. Dat zijn maar frivoliteiten. Door het onderkennen van het belang van convergenties in de evolutie komt de biologie nu meer in de buurt van scheikunde en natuurkunde. Nu komen vragen op als: wat zijn de beperkingen die gelden voor eiwitstructuren, wat zijn de beperkingen voor signaaltransductie, voor de geleiding van elektrische signalen? Voor dat laatste is een natriumkanaaltje in de celmembraam nodig, maar dan blijkt opeens dat dit meer malen onafhankelijk is geëvolueerd, calcium- en kaliumkanaaltjes zijn al eerder ontstaan en hadden al een functie. Het maakt niet uit waar de evolutie begint, het komt altijd op hetzelfde uit.''

Maar er zijn in de geschiedenis van de aarde toch grote `toevallige' rampen geweest die grote invloed op het leven hebben gehad?

``Dat klopt. Maar volgens mij zijn die rampen irrelevant geweest voor het verloop van de evolutie. Het is maar een detail van de controverse, maar wel een belangrijk detail. Volgens Gould zouden wij er niet zijn als er 65 miljoen jaar geleden geen grote steen op de aarde was gevallen, waardoor de dinosaurussen uitstorven. Ik denk dat die aanname niet opgaat.

``Die meteoriet heeft volgens mij de loop van de evolutie niet doorslaggevend beïnvloed. De perioden van afkoeling van de aarde en ijstijden die daarna volgden en die overigens niets met de inslag van doen hadden zijn veel belangrijker geweest voor de richting van de evolutie. Dankzij hun eerder onwikkelde warmbloedigheid kregen vogels en zoogdieren toen de kans over de hele aarde uit te zwermen, ze hadden een adaptief voordeel in het koele klimaat. Natuurlijk zal de geschiedenis zonder inslag niet precies hetzelfde zijn verlopen, maar dat beweer ik ook niet. De meteorietinslag heeft hooguit uitgesteld wat sowieso stond te gebeuren.''

Hoe bent u tot deze onorthodoxe overtuiging gekomen?

``Ik ben geïnteresseerd in het ontstaan van biologische eigenschappen, in het bijzonder die welke de mens definiëren. Ik denk dat wij mensen in onze huidige vorm uniek zijn. We beschikken over een aantal kenmerken die op zichzelf moeilijk evolutionair te verklaren zijn, taal is er zo een, en grammatica. Hoewel ook deze kenmerken denk ik niet zo vreemd zijn als ze lijken.

``Dingen die wij zien als unieke menselijke trekjes, zoals intelligentie, zijn in feite wijd verspreid over het dierenrijk. Dat is een interessant gegeven. Kijk naar de apen van de Nieuwe Wereld, die zich miljoenen jaren geleden afscheidden van de apen in Afrika. Ze zijn waarschijnlijk al drijvend over de nog niet zo brede Atlantische oceaan naar Zuid-Amerika gekomen en diversifieerden daar zeer snel. Er zijn opvallende parallellen met de ontwikkeling van de Oude Wereld-apen. Beide Werelden kwamen onafhankelijk tot dezelfde sociale systemen, tot kleurenzien, maar ook tot het gebruik van gereedschappen. Kapucijnapen uit Zuid-Amerika blijken in gevangenschap bijna net zo aangepast als chimpansees in het gebruiken van gereedschap. En ook hebben ze een manier van voortbewegen die al een beetje de vormen aanneemt van tweebenigheid.

``Wat ik wil zeggen: als een ramp de voorlopers van de mens in Afrika volledig vernietigd zou hebben, dan zou er wel een intelligente mensachtige uit Zuid-Amerika zijn komen wandelen. Volgens mij zijn er genoeg redenen om aan te nemen dat de ontwikkeling van een aantal kenmerken onvermijdelijk zal volgen nadat de evolutie eenmaal een bepaald punt bereikt. Dat komt doordat het aantal biologische mogelijkheden volgens mij maar heel beperkt is.''

Hoe belangrijk is de rol van convergentie in de evolutie?

``Het is alomtegenwoordig. Het is moeilijk om iets te bedenken dat niet convergent is. Er zijn natuurlijk lokale omstandigheden die de loop van de evolutie beïnvloeden: zoals de positie van de continenten, massa-uitstervingen. Ze spelen zeker allemaal een rol maar ik denk eerlijk gezegd dat het maar kleine incidenten zijn in de hoofdthema's van het leven.

``Overal kun je wel van dat soort voorbeelden van convergentie vinden. Een heel sterk voorbeeld vind ik de kiwi. Nieuw-Zeeland kende voordat de Maori's er rond het jaar 1300 arriveerden geen zoogdieren, uitgezonderd een paar vleermuizen en wat zeezoogdieren. Het eiland lag te geïsoleerd. Je zag dat de evolutie van vogels zich daarop aanpaste; er waren veel vogels die niet konden vliegen, zoals de kiwi en de moa.

``Vooral de kiwi is bijzonder want dit dier was in zijn evolutie bezig om zich tot een soort zoogdierachtige verschijning te ontwikkelen. Deze vogel heeft tal van eigenschappen die verbonden zijn aan een zoogdierachtige levensstijl. Het enige wat deze vogel mist is levendgeboren jongen. Het is een nachtdier, leeft in een hol, is erg agressief, vertrouwt op zijn reukvermogen, vliegt niet en zijn verenkleed is zo veranderd dat het bijna op een soort vacht lijkt. Ik denk dat er zoiets als `zoogdierheid' bestaat, een eigenschap die onafhankelijk is van de fylogenie, de soortenstamboom. Er bestaat een set bij elkaar horende eigenschappen die telkens weer samenkomen. Als je dat analyseert kun je voorspellen welke richting de evolutie op zal gaan.''

Waardoor ontstaat die dwangbuis van de evolutie, waarom is het proces voorspelbaar? Is het erfelijkheid, omgeving of beide?

``Beide natuurlijk. Maar heel veel wordt door de omgeving bepaald. De omgeving stelt bepaalde beperkingen waaraan organismen zich moeten aanpassen. Daarnaast zijn er ook heel triviale convergenties, zoals de morfologie van de krab die vier of vijf keer onafhankelijk is geëvolueerd. Het is heel moeilijk om universele regels voor convergentie te vinden. Toch denk ik dat er een universele voorspelbaarheid bestaat bij verschillende biologische kenmerken. De omgeving speelt daarbij een belangrijke rol.

``De evolutie van oogbol-ogen is zo'n voorbeeld van convergentie. Zoogdieren en inktvissen zijn onafhankelijk tot die oplossing gekomen. Grofweg ziet de bouw van het oog bij deze totaal verschillende diersoorten er hetzelfde uit, maar de details verschillen en ook de manier waarop deze organen zijn ontstaan verschilt. Oogbol-ogen worden heel typisch aangetroffen bij actieve, snel bewegende roofdieren, en bij dieren waarvoor het van belang is vormen of bepaalde landschappen te herkennen. En omdat dieren met oogbol-ogen hun informatie op een geavanceerde manier verwerken, zijn dat de diersoorten die vaker grotere hersenen hebben.''

Andere biologen zouden zeggen: dit zijn pre-adaptaties, kenmerken die zich om andere redenen al in potentie hebben ontwikkeld, maar dan plotseling in de evolutie een nieuwe functie aannemen.

``Het zijn natuurlijk ook pre-adaptaties. Dit is een belangrijk principe want het verklaart grotendeels de evolutie. Een eigenschap met een bepaalde functie kan op een gegeven moment anders gebruikt worden waardoor een geheel nieuwe functie ontstaat. Dat is enorm krachtig.''

Is er dan wel een `blinde horlogemaker' aan het werk, zoals de evolutiebioloog Richard Dawkins ooit de richtingloosheid van de evolutie typeerde?

``Het is een beroemde uitdrukking van Dawkins, maar ik denk dat het eigenlijk misleidend is omdat het onze bewondering voor biologische organisatie niet echt weergeeft. Dawkins ziet het zo omdat hij een materialistisch dogma aanhangt, en hij wil dat gebruiken als onderdeel van zijn betoog tegen religie. Dawkins is daar heel fel in; religie is een zodanig kwaad dat het uitgeroeid moet worden. Dat begrijp ik wel, maar hij gebruikt de wetenschap om een ideologie te ondersteunen. En die catchy phrases zoals blinde horlogemaker, doen de biologie eigenlijk geen recht, omdat ze de eigenaardigheden van het biologische systeem niet geheel verklaren. Het is een onvolledige beschrijving, er zijn andere dingen over te zeggen die minstens even interessant zijn, en misschien wel interessanter.''

Uw ideeën zullen koren op de molen zijn van creationisten, die altijd op zoek zijn naar een doel in de evolutie (zo heeft God het bedoeld).

``Ja dat klopt. Ik maak wel eens een grap als ik een lezing geef over dit onderwerp, vooral als ik in Amerika ben. Dan zeg ik tegen het publiek: wat je ook doet, vertel dit nooit aan een creationist. Want dit is precies het type argument dat zij zullen gebruiken.

``Als individuen vind ik sommige creationisten overigens interessante en aardige mensen om mee te praten. Maar als je hun politieke agenda kent, dan begrijp je waar het vandaan komt. Mijn ervaring is dat sommige creationisten de feiten verdraaien. En dat is oneerlijk. Vooral de Amerikaanse creationisten zijn fundamentalistisch en naïef en ik denk dat zij hun geloof in geen geval een dienst bewijzen. De wetenschap daarentegen is feilbaar, en soms hebben we het mis. Dat is dan een harde les, maar het is in ieder geval waar.

``Convergentie is mijns inziens een sterk pleidooi voor de evolutietheorie, omdat het laat zien hoe de evolutie met levensvormen kan starten die radicaal verschillen en toch kan eindigen met sterk op elkaar gelijkende organismen. Dat neemt geen enkele creationist voor waar aan.

``In mijn optiek is de wereld eigenlijk een veel vreemdere plek dan wij ons realiseren. Ik vind het heel belangrijk mijn gevoel van verwondering daarover te bewaren. Het gevaar bestaat dat wetenschappers, ondanks de wondere zaken die zij beschrijven, verzanden in een eindresultaat dat gortdroog is. Dat maakt veel kapot. Als het gaat om het onderwijzen van wetenschap, het begrijpen van wetenschap en de plaats van de mens in de wereld, is het levendig houden van de verwondering extreem belangrijk.''

Hoe reageren collega's op uw theorie?

``Biologen realiseren zich doorgaans niet hoe alomtegenwoordig de voorbeelden van convergentie zijn. Veel auteurs van wetenschappelijke publicaties die convergentie beschrijven, gebruiken bijvoeglijk naamwoorden als `opmerkelijk', `verbazingwekkend', `miraculeus'; heel tekenend voor hoe zij tegen convergentie aankijken. Maar wat was er anders te verwachten? Dat de blinde horlogemaker toch telkens weer met sterk gelijkende ontwerpen komt in verschillende groepen organismen is ogenschijnlijk verbazingwekkend. Als je echter begrijpt waaruit evolutie eigenlijk bestaat, wordt het plotseling logisch. Het is een stelsel van aanpassingen dat leidt tot convergentie.''

``Geen van de andere filosofieën van de biologie heeft bewezen de gehele evolutie effectief te kunnen verklaren. Ik presenteer mijn ideeën niet als een nieuwe evolutietheorie, maar ik reageer op biologen met ideologische agenda's. Hun theorieën leiden tot verkeerde aannames over de positie van de mens in de wereld. Gould bijvoorbeeld beweert dat de wereld van toevalligheden aan elkaar hangt en dat de mens per ongeluk is ontstaan. Wat daaruit volgt is omdat wij een ongelukje van de evolutie zijn dat elk moreel systeem van ons moet zijn gebaseerd op een menselijk construct.

``De biologie is hier gekaapt om een bepaalde kijk op de wereld te ondersteunen. Dat is op zichzelf gevaarlijk, want systemen die naar zichzelf refereren in morele vraagstukken eindigen meestal in concentratiekampen. En hetzelfde geldt voor de genetische kijk op het leven waarin mensen de moraliteit zien als iets dat vastligt in de genen: dan kom je al heel snel in de eugenetica terecht. Beide opvattingen stinken dus. Dit zijn ernstige zaken. Natuurlijk zijn wij dieren, maar wij overtreffen onszelf als mensen. Het klinkt erg afgezaagd, maar de biosfeer is echt een onderdeel van onszelf.''