Alles voor die ene vervalsing

Verzamelaars zijn geen prettige mensen, vindt Boudewijn Büch. Het zijn net eksters die hun kasten proberen te vullen. Een zelfportret.

I

Het is een niet al te mooie augustusdag, tien jaar geleden. Ik wandel in Toronto, Canada, naar het antiquariaat D. & E. Lake. De ietwat lugubere wijk waarin het antiquariaat gevestigd is, laat onverlet dat er in de antiquariaatskelder een paradijs voor de verzamelaar van het oude reisboek is ingericht. Ik vind er op die zomermiddag enkele schitterende zeventiende- en achttiende-eeuwse exemplaren. Wanneer ik de koop financieel afhandel bij Don Lake valt mijn oog op een paar deeltjes in zijn reference-kast. Het is de eerste uitgave van de absurde biografie van de nog absurdere Sir Thomas Phillipps (1792-1872) Phillipps studies (1951-'52).

De Brit Phillipps is de meest krankzinnige, meest fanatieke en tevens alleronaardigste verzamelaar van boeken en manuscripten die de wereld ooit gekend heeft. Zijn verzameling was zo omvangrijk dat zij honderddertig jaar na zijn dood nog steeds niet helemaal weggeveild is. Hoewel ik een latere editie van de genoemde biografie van de hand van A.N.L. Munby bezat en zelfs een nog latere ingekorte, eendelige versie, wilde ik toch ook de vijfdelige, eerste druk bezitten, maar zoals elke collectioneur weet, verkoopt een antiquaar nimmer iets uit zijn eigen naslagwerkenkast. Met die wetenschap wilde ik mij op dat moment niet verzoenen: ik zeurde net zo lang totdat Don Lake (een opvallend vriendelijke en eigentijdse antiquaar in het vaak zo dorre boekenverzamelland) het mij tóch verkocht. En, zie hier: een voorbeeld van verzamelzucht, de verzamelaar verzamelt op den duur ook al boeken in eerste druk over verzamelaars en over verzamelingen en heeft er veel voor over om die allemaal in bezit te krijgen.

II

De meest lepe verzamelaar van negentiende-eeuwse, Britse schone letteren was Thomas James Wise (1859-1937). Zijn voorname Ashley Library maakt nu deel uit van The British Library. Toch had Wise ook een heel louche kant: hij was zo'n fanatieke verzamelaar dat hij een incompleet boek aanvulde met een pagina die hij scheurde uit een ander, compleet exemplaar. En dat deed hij bij voorkeur in The British Museum, waar The British Library toen nog deel van uitmaakte. Verder was Wise ook nog handelaar in het `oude' boek; de boekenvriend dreef een complete vervalsingscentrale annex drukkerij waarin hij zeldzame eerste drukjes na liet maken.

Op een gegeven moment ontwierp hij zelfs `eerste' drukjes, en dat waren dus apocriefe boeken, ook wel spookboeken genoemd. Pas vlak voor zijn dood kregen enkele boekengeleerden weet van Wises gerommel, maar intussen zaten prestigieuze Britse en vooral Amerikaanse bibliotheken al stampvol met voor veel geld van Wise gekochte vervalsingen en andere rommel. Een viertal heren (John Carter, Graham Pollard, Nicolas Barker en John Collins) hebben zich vanaf 1934, samen met nog enkele anderen, beziggehouden met deze vervalser. Een paar jaar geleden kwam ik de boeken van het genoemde viertal over Wise in het antiquariaat Brick Row Book Shop in San Francisco tegen. Ik bezat de delen al lang, maar de exemplaren die ik nu tegenkwam, waren in kostbaar leer gebonden, gesigneerd door de auteurs en gevat in een mooie doos. Buitendien was er aan de set een mapje, gebonden in halfleder, toegevoegd met daarin een originele vervalsing van Wise, namelijk Two poems van het dichterechtpaar Elizabeth Barrett en Robert Browning (gedateerd 1854, maar in werkelijkheid ruim dertig jaar later door Wise in elkaar geknutseld). En, zie hier opnieuw: een andere vorm van verzamelzucht, de gedreven verzamelaar geeft op den duur zelfs veel geld uit voor vervalsingen!

III

Het is nog maar heel kort geleden. Ik meld mij bij het chique antiquariaat Theodor Ackermann (eigenaar Christoph Sebald) dat gelegen is aan een van de plechtigste straten die ik ken: de Ludwigstrasse te München. Ik kom enkele boeken afhalen – waaronder een Weense roofdruk van Goethes Zur Farbenlehre uit 1812 – en ik wil een ander boekje nog even bekijken. De sfeer bij Ackermann is nimmer losjes, maar ondertussen kan ik er een heel klein potje breken. De dame die mij ontvangt, weet al van mijn verlangen en haalt het bedoelde boekje. Het is flinterdun, steekt nog in zijn oorspronkelijke bandje en werd in 1798 gedrukt te Königsberg (het huidige, Russische Kaliningrad). Wanneer ik het doorblader, zie ik dat het echt is. Ik had niet anders verwacht van een prestigieus antiquarenhuis als Ackermann, maar men moet blijven oppassen, want er zijn vervalsingen bekend van het uiterst magere boekje dat ik in handen houd.

Ik voel inmiddels in mijn lijf een intense trilling en achter in mijn hals krijg ik het gloeiend heet; de verzamelkoorts is namelijk uitgebroken vanwege Immanuel Kants tweeëntwintig bladzijden tellende vlugschriftje Über die Buchmacherei, dat twee brieven behelst aan de uitgever en auteur Christoph Friedrich Nicolai (1733-1811). Het is een publicatie die als `extreem zeldzaam' kan worden aangemerkt.

Kant was in eerste instantie bevriend met Nicolai, maar omdat de uitgeverspraktijken van Nicolai hem niet langer bevielen, schreef hij zijn aanklacht over het boekenmaken. Natuurlijk: men kan de tekst op een aanzienlijk goedkopere wijze bemachtigen, bij voorbeeld door de aanschaf van Kants Rechtslehre. Schriften zur Rechtsphilosophie (een becommentarieerde editie die in 1988 verscheen en waarin de tekst op pagina's 349-354 voorkomt), maar dat wil de waarachtige boekenvriend niet. Die wil een eerste, wat zeg ik een allereerste druk en hij is bereid daarvoor het vliegtuig te nemen, heel veel geld te betalen en vervolgens zijn hele leven te lijden aan angst voor brand, roof, et cetera.

Met deze drie voorbeelden heb ik mijn eigen verzamelzucht toegelicht. Een zucht die zich niet meer beperkt tot het verzamelen van bij voorbeeld het oude reisboek en Goetheana, maar sedert twee decennia in toenemende mate tot het collectioneren van boeken-over-boeken, beroemde vervalsingen in originele (!) staat en tot uitzinnig kostbare papiertjes als de (afgekeurde) drukproef van Goethes Todesanzeige (rouwkaart, 1832). Het is een lot dat ik van veel verzamelaars ken: de verzamelwoede richt zich naar binnen en wordt steevast meer gespecificeerd en meer specialistisch. Het is wéér die verdomde Johann Wolfgang von Goethe die daarover zulke wijze dingen heeft geschreven, want hij wees er onder andere in zijn essay Der Sammler und die Seinigen (1799; in 1997 verscheen een mooie heruitgave met commentaar van Carrie Asman) reeds op hoe belangrijk zijn vader en grootvader voor zijn `verzamel-idee' zijn geweest.

Laat ik mij niet achter Goethe verschuilen en direct zeggen waar het op staat: ik heb een gestoorde verhouding met mijn – al lang overleden – vader. En zo is het eigenlijk met al die grote verzamelaars van wie ik de biografieën en autobiografieën allemaal gelezen heb. Van vrouwen weet ik het niet precies – er zijn nauwelijks grote vrouwelijke boekenverzamelaars in de geschiedenis opgestaan – maar met alle bibliofiele heren is er hetzelfde aan de hand: het zijn treurige, lelijke mannen met een meestal ernstig gestoorde vaderbinding en met een droevig seksueel leven.

In de klassieke en moderne psychoanalytische literatuur is er ondertussen al heel wat aandacht besteed aan de verzamelaar en het is geen literatuur om prettig van te worden. Ik heb mezelf in enkele van die boeken zo ernstig teruggevonden dat ik er beroerd van werd. Verzamelaars – en dan bedoel ik de heel driftige, die van het collectioneren een panisch levensdoel hebben gemaakt – zijn geen prettige mensen. Het zijn mensen zoals ik: als eksters en hamsters bezig kasten te vullen met mooiigheid, maar waarvoor in godsnaam?

Het hogere doel bij verzamelaars, bij voorbeeld het schenken van het bezit aan de staat of het inrichten van een voor iedereen toegankelijk museum, komt altijd pas later in het bestaan van de collectioneur. In de eerste jaren, vaak zelfs decennia, van zijn verzamelbestaan is hij vooral met zichzelf bezig. En onvermijdelijk komt het moment dat hij beseft dat verzamelen niets anders is dan een vorm van erotiek en dan vooral uitgestelde seksualiteit. Op dat ogenblik realiseert de verzamelaar zich dat hij héél veel spulletjes heeft, maar doodongelukkig is.

Het klinkt goedkoop en riekt naar kanarieboekjes-psychologie, maar het is werkelijk niet anders: verzamelen is het stampvol proppen van een nest waarnaar een leuk meisje de weg nooit heeft weten te vinden. En dat schrijf ik zélfs met de wetenschap dat er grote verzamelaars waren met een echtgenote en een hele schare kinderen – maar ongelukkig en erotisch gedeplaceerd bleven ze.

De meest inzichtrijke studie over de psychologie/psychopathologie van het verzamelen is Werner Muensterberger Collecting. An unruly passion. Psychological perspectives (1994).