`Tot Céline dacht ik dat je emoties gewoon op papier moest kwakken'

Constantijn-Huygensprijs- winnaar Louis Ferron raakte gegrepen door de romantiek van Selma Lagerlöf en – later – door de stijl van Céline.

,,Ik las veel boeken uit de bibliotheek van mijn moeder, in de periodes dat ik thuis woonde', zegt Louis Ferron. ,,Erich Maria Remarque's Arc de Triomphe, Zweedse en Noorse trilogieën, zeg maar de betere kasteelromans. Van Gösta Berling (1891) van Selma Lagerlöf heb ik wat vage beelden overgehouden, het verhaal zou ik niet kunnen navertellen. Wat ik er mooi aan vond, toen ik een jaar of twaalf was, was het supercliché van de romantische persoonlijkheid. De hoofdpersoon is een drankzuchtige dominee, geniaal maar licht krankzinnig, die door het Zweedse land zwerft, hoererend en zuipend, samen met een stel cavaliers. Het heeft mijn visie op de wereld bepaald: ik heb de neiging alles in romantische zin te interpreteren, dingen te overdramatiseren, en dat is voor een schrijver nooit weg.'

Louis Ferron (1942) ontving eind vorig jaar de Constantijn Huygensprijs voor zijn hele oeuvre. Afgelopen zaterdag legde hij in Trouw uit waarom hij op Pim Fortuyn zal stemmen. Zijn onlangs verschenen roman Het overspelige gras gaat over de ondergang van de landadel in de Gelderse Achterhoek. De hoofdpersoon is een Pruisische Wehrmachtofficier; Duitsland en de Tweede Wereldoorlog zijn constanten in Ferrons werk.

De schrijver vertelt, in zijn huis in de buurt van Haarlem: ,,Mijn roman Karelische nachten (1989) speelt in Finland, daar ben ik een keer kort geweest. Maar de atmosfeer, het landschap voor dat boek heb ik toch wel bij Gösta Berling vandaan gehaald. Ik heb daaraan ook een levenslange liefde voor Zweden overgehouden, en dat is een van de redenen waarom ik er nooit naartoe wil. Ik wil Zweden houden zoals ik het in dit boek heb leren kennen. Er moet ergens op de wereld een plek zijn waar je graag zou willen zijn, maar daar moet je nu juist niet naartoe gaan, dan valt het tegen. Je schijnt er geen drank te kunnen drinken en het barst er van de muggen.'

Minstens zo belangrijk voor de ontwikkeling van de jonge Ferron was Reis naar het einde van de nacht (1932) van Louis-Ferdinand Céline. ,,Dat boek kun je in zeker opzicht wel met Gösta Berling vergelijken. Alletwee gebruiken ze de reis door het leven als metafoor. Wat ze niet gemeenschappelijk hebben, is de inktzwarte kijk op de wereld waar Céline aan laboreert. Het valt wel goed te verdedigen dat ook Céline een aartsromanticus was. Céline vertegenwoordigt misschien de zwarte kant van de romantiek, hoewel hij zelf niet blij geweest zou zijn met die kwalificatie. Hij komt toch wel heel nadrukkelijk voort uit de naturalistische school, via Zola en Léon Bloy.

,,In 1961, het jaar dat Céline overleed, las ik zijn necrologie. Ik was toen net twintig, en verloofd met de dochter van Lizzy Sara May, de imiddels overleden schrijfster, die was getrouwd met de schrijver Oscar Timmers. Tegenover Timmers heb ik de naam van Céline laten vallen, en toen leende hij mij zijn exemplaar van de Reis, een vooroorlogse vertaling van Van Sandvoort. Dat was een aanzienlijk gekuiste vertaling, en de vertaler kon met het patois van Céline nauwelijks uit de voeten. Niettemin was ik er deerlijk van onder de indruk. De zwartgalligheid van die man – ik had zelf niet zo'n vrolijke jeugd achter de rug, dus ik herkende daar ontzettend veel in. Dit is een schrijver naar mijn hart, dacht ik, die schrijft vanuit zijn kloten. Dat dat een stilistische truc was, heb ik me pas later gerealiseerd. Ik schreef toen al, maar allemaal imitaties van de Vijftigers, Schierbeekiaanse teksten. Ik denk dat ik met Céline heb ontdekt dat stijl ertoe doet, dat een boek schrijven in de allereerste plaats een kwestie van stijl is. Bij mijn Schierbeekimitaties dacht ik niet aan stijl, ik dacht dat je de eerste de beste emotie die in je opwelde op papier moest kwakken.

,,Van Gösta Berling heb ik stilistisch niets opgestoken. Ik heb wel een beetje een ziekelijke afwijking voor kitscherige literatuur, daar maak ik ook herhaaldelijk grapjes mee in mijn eigen werk, door de stijl van negentiende-eeuwse damesromannetjes te imiteren. Het goedkope sentiment probeer ik te ontrafelen in mijn werk, en een van de manieren om daar achter te komen is stilistisch in de huid te kruipen van sentimentele schrijvers. Céline vertegenwoordigt het exacte tegendeel, die wil juist niet sentimenteel zijn. Hij wil de wereld zien zoals hij is, of zoals hij denkt dat hij is, en hij heeft daar een stijl voor uitgevonden die zijn onderwerp zo dicht mogelijk benadert. Het Frans was in die tijd een deftige taal, tot op de dag van vandaag schrijven de meeste Franse schrijvers een keurig burgerlijk Frans. Céline was een van de eersten die in een soort volkstaal probeerde te schrijven, hij gebruikte wel veel patois, maar het was toch een gestileerde volkstaal. Je zou het kunnen vergelijken met het Vlaams dat Hugo Claus hanteert, dat is niet het Vlaams dat in de dorpen gesproken wordt maar een kunstvlaams, dat de suggestie wekt dat het volks is. In die zin heeft Céline ook een gesuggereerde volksheid, terwijl als je goed kijkt, is wat hij schrijft uiterst doordacht.

,,Diep in zijn hart was Céline een groot sentimentalist, en dat overschreeuwde hij min of meer: dat is zijn stijl. Hij probeerde dat gevoelige mannetje op de achtergrond te houden, tussen de regels door lees je dat er ook wel in. Het blijkt ook uit zijn biografie. Als huisarts behandelde hij zijn patiënten gratis, want die waren allemaal hele arme mensen. Wie kan zo'n man niet liefhebben? Hij heeft bewust gekozen voor de onderkant van de samenleving, dat was zijn motor om te kunnen fulmineren, dat had hij niet als geslaagd mens kunnen doen. Al die scheldtirades die hij afsteekt, daarbij heb ik wel het gevoel: rustig maar, je meent het allemaal zo ernstig niet, het is stijl waar je mee bezig bent.

,,Het is jammer dat zijn antisemitische geschriften niet meer uitgegeven mogen worden, want absolute vrijheid van meningsuiting acht ik de enige remedie tegen allerlei vormen van krom denken, ook literaire. Ik vermoed, ook op basis van enkele fragmenten die ik heb gelezen, dat die pamfletten interessanter zijn dan zijn latere romans, die alleen nog maar op de stijl drijven. Juist vanwege die grote, al dan niet kunstmatige woede tegenover de joden, die de schuld van alles zouden zijn, wat uiteraard een heel lelijk trekje van hem is. Die woede moet literair gesproken een gigantische motor voor hem zijn geweest.

,,De fragmenten die ik ken, zijn geschreven in een weergaloos mooie taal, de woede spat er echt vanaf. De schrijver en de mens vallen daarin samen, de stilist en hoe hij als mens naar de wereld kijkt. Een goed boek werkt als een goede film, je bent overtuigd van de waarheid van wat er gezegd wordt voor zolang je er mee bezig bent, en daarna volgt de kritiek. Ik vraag me af hoever ik meegevoerd zou kunnen worden door Céline's antisemitische geschriften. Het blijft een heikele zaak. In mijn Duitse bibliotheek staan tientallen foute boeken, waarvan sommige literair gesproken erg interessant zijn. Geen aperte nazi-literatuur, die bestaat eigenlijk niet, maar wel fascistisch angehauchte, nationalistisch-conservatieve schrijvers als Ernst Jünger en Ernst von Salomon. Zij kunnen mij voor de duur van een roman echt meeslepen. Gelukkig, dat literatuur nog gevaarlijk kan zijn. Literatuur en kunst in het algemeen, dat is mijn laat-romantische visie, moet iets bedorvens, iets pervers hebben. Het moet iets aantasten, al is het maar een zekerheid. Alleen stijl is ook niet genoeg.'

Selma Lagerlöf: Gösta Berling. Van Holkema en Warendorf, 1978, 385 blz. L.-F. Céline, Reis naar het einde van de nacht. Van Oorschot, € 25,–