Stralende sinaasappels

De Vlaamse primitieven schilderden niet alleen net zo goed als hun tijdgenoten in Italië, ze schilderden gewoon veel beter.

De zon schijnt niet. Het is al te merken voor het gordijn opengaat. De keuken is gewoon en onverbiddelijk de keuken, alle dingen liggen er onverschillig bij. Niets glanst. Zelfs de sinaasappels, oranje toch, o zo oranje, vooral die waar nog een takje groen aanzit, zwijgen. Gedachteloos gaat het mes door de bol, en ja, dan is het toch elke keer weer een wonder hoe dat vochtige vruchtvlees straalt, straalt, stráált. De zon schijnt toch.

Zulke dagen zonder zon en sinaasappels zijn dagen om aan Jan van Eyck te denken. Jan van Eyck, de schilder van het Lam Gods en van de man met de rode tulband, van de Madonna met kanselier Rolin en van de Madonna met kanunnik Van der Paele, van het portret van Niccolo Albergati en van de bruiloft van de Arnolfinis, waarop in de vensterbank een sinaasappel ligt te stralen. Of is het toch een appel? Het is raar dat je dat niet kunt zien, want bij Van Eyck is het juist zo wonderbaarlijk dat je op een schilderij zovéél te zien krijgt. Vaak lijkt het alsof hij alles geschilderd heeft, alsof een paneel een foto is waarop alles scherp is en blijft, ook al zou je hem uitvergroten. Bij een schilderij van Monet, aan het andere uiterste van de illusie, wordt alles uitvergroot onzichtbaar, een verzameling vegen die zelfs geen golf of wolk meer willen worden. Bij Van Eyck houden de dingen zich ook uitvergroot staande. De haartjes op het onderbeen van Adam, de veertjes van een vogel, ze blijven adembenemend aanwezig. In het nieuwe boek The Art of Arts, een eerder hysterische dan lyrische `herontdekking' van de schilderkunst, fulmineert Anita Albus tegen het uitvergroten van Van Eycks details omdat het zijn bovenmenselijke blik, die tegelijkertijd van dichtbij en van veraf kon zien, niet waardig is. Van Eycks illusionisme zou niet gereproduceerd moeten worden. Maar het is in Van Eycks wonderlijk volle panelen gemakkelijk om iets over het hoofd te zien. Pas toen ik de puzzel maakte die van zijn `Madonna en Van der Paele' te koop is (140 stukjes), zag ik dat Maria behalve Jezus ook nog een papegaaitje op schoot heeft.

Werk van Van Eyck is altijd te bewonderen in Londen en Wenen, in Berlijn en in Parijs, in Gent, in Antwerpen en in Brugge. In Brugge, woonplaats van de schilder, worden twee meesterwerken bewaard, de `Madonna met Van der Paele' en het portret van zijn vrouw Margaretha. Het zijn er nu negen, bijna de helft van het totaal dat van Van Eycks oeuvre is overgebleven.

In Brugge is nu bijvoorbeeld ook een drieluik uit Dresden te zien, dat niet voor mensen maar voor eksters geschilderd lijkt. Alles op dit kleine drieluik is even schitterend. Maria, het kind, de stichter, de heiligen, de fel gekleurde vleugels van een van die heiligen, het golvende haar van Maria, de bonte tapijten, de marmeren zuilen, het gebrandschilderde glas. Pracht wordt prachtig weergegeven, praal praalt. Het is alsof edelstenen met edelstenen zijn weergegeven, die door schilders voor Van Eyck inderdaad nog op schilderijen werden geplakt, alsof goud goud is. Het is verf. Van Eyck was niet de eerste die olieverf gebruikte, maar wel een van de eersten. Hij was ook meteen een van de besten, en eigenlijk is hij dat nog steeds. Het is alsof er na Jaap Eden nooit meer iemand sneller geschaatst heeft.

Brugge is dit jaar culturele hoofdstad van Europa en om zich te profileren benadrukt ze haar grootste schat: de schilderijen van de Vlaamse primitieven, die bovendien precies honderd jaar geleden in Brugge voor het eerst bijeen werden gebracht voor een grote tentoonstelling. Het is deze tentoonstelling, Exposition des Primitifs flamands et d'Art ancien, die de herwaardering van de kunst van de oude Vlamingen inluidde en de historicus Johan Huizinga aanzette tot het schrijven van zijn Herfsttij der Middeleeuwen, het boek dat immers geboren is uit de behoefte om de kunst van Van Eyck en zijn volgers beter te begrijpen.

Blockbuster

De nieuwe tentoonstelling is niet zomaar een `blockbuster' geworden die een overvloed aan meesterwerken toont die de bezoeker zaal na zaal oh en ah laat zeggen. Brugge was ambitieuzer, en wilde haar grootste schat met haar culturele hoofdstadschap verbinden. De tentoonstelling in het Groeningemuseum gaat over de invloed van de Vlaamse primitieven op kunstenaars in het zuiden van Europa. Er hangt dus niet alleen werk van Van Eyck, Rogier van der Weyden en Hans Memling, maar ook van Jean Fouquet, Giovanni Bellini en Lorenzo Lotto. Als het aan de organisator, de Duitse kunsthistoricus Till-Holger Borchert, had gelegen, was niet alleen de invloed van Van Eyck en zijn tijdgenoten op schilders in Frankrijk, Spanje, Portugal en Italië aan bod gekomen, maar ook nog die in Duitsland, Oostenrijk en Hongarije. Voor een afdeling Oost-Europa ontbrak hem gelukkig de tijd.

Jan Van Eyck, de Vlaamse primitieven en het Zuiden is niet alleen te begrijpen als Europese tentoonstelling, maar ook als direct vervolg op de beroemde expositie van 1902. Die tentoonstelling liet zien dat kunstenaars uit het Noorden niet onder hoefden te doen voor kunstenaars uit het Zuiden. In Vlaanderen werd in de vijftiende eeuw anders, maar net zo goed geschilderd als in Italië. `2002' gaat nog verder in het slechten van dit kunsthistorische minderwaardigheidscomplex door te bewijzen dat de Vlamingen de Italianen het een en ander geleerd hebben. De Italianen mogen dan het perspectief hebben uitgevonden, de Vlamingen vervolmaakten het schilderen met olieverf en bereikten een ongekend realisme in het weergeven van mensen, dingen en landschappen. In de catalogus wordt tot vervelens toe de Napolitaanse kroniekschrijver Bartolomeo Facio aangehaald, die Van Eyck in 1456 de belangrijkste schilder van zijn tijd noemde. Michelangelo, die een halve eeuw later vond dat de Vlaamse primitieven sentimentele rommel voor vrouwen en monniken produceerden, wordt alleen geciteerd om fijntjes te zeggen dat hij van de geschiedenis ongelijk heeft gekregen.

Borchert en zijn medewerkers vechten in Brugge tegen een windmolen die al lang geleden is afgebroken. Dat de Vlaamse primitieven Zuid-Europese kunstenaars hebben beïnvloed, is allang geen nieuwe gedachte meer. De Vlaamse `ars nova' werd al vroeg in de veertiende eeuw geprezen door Italiaanse schrijvers, Italiaanse kooplieden en vorsten kochten of bestelden Vlaamse panelen, Italiaanse schilders gingen bij Vlaamse meesters in de leer. Deze kennis, in 1902 mét de Vlaamse primitieven zelf nog vergeten, is langzamerhand weer gemeengoed geworden.

Maar zo'n uit de boeken bekend idee kan op een tentoonstelling wel bewezen worden door de schilderijen zelf. In Brugge gebeurt dat alleen niet altijd. Een belangrijke reden daarvoor is dat de vijftiende-eeuwse schilderkunst uit het zuiden niet door de beste werken is vertegenwoordigd. Je gaat bijna denken dat de Vlaamse primitieven in Italië alleen maar mindere goden hebben beïnvloed. Van sommige grote meesters, zoals Fra Angelico, is wel een werk binnengehaald, maar dat is vaak niet het beste of het meest geschikte. Van Antonello di Messina, de Italiaan aan wie Van Eyck volgens Vasari het geheim van het schilderen met olieverf doorgaf, is bijvoorbeeld wel een beroemd portret dat bewaard wordt in Turijn aanwezig, maar niet zijn Heilige Hiëronymus in zijn studeervertrek uit Londen, dat op de expositie een schitterend pendant had kunnen vormen van Van Eycks Hiëronymus, een wel verkregen bruikleen uit Detroit. Dit bezwaar wordt enigszins opgeheven in de catalogus, waar ook afbeeldingen te zien zijn van schilderijen die Brugge niet te leen wist te krijgen. De invloed van de Vlaamse primitieven op Spaanse en Portugese schilders neem je voor kennisgeving aan, omdat die, althans nu in Brugge, ondanks die invloed geen meesterwerken heeft opgeleverd.

Boekenkast

Nog belangrijker is dat er staande voor de doeken soms geen enkele invloed dan een heel oppervlakkige te bespeuren valt. Als Van Eyck een boekenkast heeft geschilderd, dan moet een door een Italiaan geschilderde boekenkast wel door hem beïnvloed zijn. Doordat het doek van Antonello van Hiëronymus ontbreekt, waarop de overeenkomst met Van Eycks studeervertrek wél meteen in het oog springt, is de invloed niet meer na te volgen; de Antonello is in Brugge de missing link. Het ontbreken van zulke schilderijen is het Groeningemuseum niet echt kwalijk te nemen. Sommige musea, zoals de Londense National Gallery, vinden hun vijftiende-eeuwse panelen kennelijk te kwetsbaar om ze te laten reizen.

Soms lijkt het wel alsof het de kunsthistorici in hun bol is geslagen. In de vierde zaal hangt bijvoorbeeld een schilderij van Van Eyck, De heilige Franciscus ontvangt de stigmata, naast De heilige Hiëronymus als boeteling van Filippo Lippi. Op beide schilderijen komen rotsen voor, en inderdaad, in het bij de tentoonstelling horende boekje wordt beweerd dat de rotsen van Lippi duidelijk geïnspireerd zijn op die van Van Eyck. Het Groeningemuseum wil dat je je ogen niet gelooft, want met de beste wil ter wereld is er tussen de Eyckiaanse en de Lippiaanse rotsen geen overeenkomst te zien. Maar het boekje leidt uit de rotsen af dat Lippi rechtstreeks in contact kwam met het werk van Van Eyck. Toch staat in hetzelfde boekje dat de Lippi tussen 1430 en 1435 is geschilderd en de Van Eyck tussen 1435 en 1440. Zo'n fout pleit niet voor de zorgvuldigheid waarmee de tentoonstelling is samengesteld.

Een laatste bezwaar tegen de tentoonstelling is dat hij niet erg publieksvriendelijk is vormgegeven. Op de muren naast de schilderijen staan geen namen, maar nummers. Die nummers moet je in het kleine boekje opzoeken, met als extra handicap dat de volgorde van de nummers op onnavolgbare manier is bepaald. Je ziet de mensen meer bladeren dan kijken.

Ondertussen is uit Jan Van Eyck, de Vlaamse primitieven en het Zuiden wel een bijzondere tentoonstelling over Van Eyck te destilleren. Bij Van Eyck is het niet zo erg dat werken als de Bruiloft van Arnolfini of de Madonna met kanselier Rolin in Londen en Parijs zijn gebleven, die zijn toch wel bekend. Het pronkstuk van deze tentoonstelling is Man met een blauwe kaproen uit Boekarest, een portret zo onbekend dat het onbemind is en zelfs in de meeste boeken over de Vlaamse primitieven niet is afgebeeld. Ook het al genoemde drieluikje uit Dresden is veel minder bekend dan de werken uit grote West-Europese musea.

Nog aardiger zijn de werken die niet met zekerheid aan Van Eyck zijn toe te schrijven en de Vlaamse en Italiaanse kopieën van de grote meester. In het Groeningemuseum hangen twee schilderijen naast elkaar van een Madonna bij een fontein die tot in detail hetzelfde zijn. Bij deze schilderijen onthult zich de paradox van zulke tentoonstellingen voor een groot publiek: de mensen komen om de werken van de grote meesters te zien, – voor een navolger ga je de deur niet uit – maar kunnen die vervolgens niet zelf herkennen. Voor de twee madonna's heeft u vijftig procent kans.

Rode schoenen

In het Groeningemuseum hangt ook een kopie van een schilderij van Van Eyck waarvan het origineel helaas verloren is gegaan, driewerf helaas, want het zou een van de schaarse wereldlijke werken van Van Eyck zijn geweest. In Brugge hangt een vijftiende-eeuwse kopie van dit paneel, dat ook is gedocumenteerd op een schilderij van het schilderijenkabinet van een Antwerpse burgemeester uit 1611 door Willem Haecht. Het is een schilderij van dezelfde kamer als die waarin de Arnolfinis trouwden, met hetzelfde bed, dezelfde vruchten in de vensterbank, hetzelfde hondje, en zelfs dezelfde schoenen. Alleen wordt het rode paar nu gedragen door een naakte vrouw.

De kopie doet hevig naar het origineel verlangen; deze is zo knullig geschilderd dat zelfs de leek kan zien dat hij niet van Van Eyck kan zijn. Het was eveneens een schilderij van naakte vrouwen dat Facio beschreef om Van Eycks superioriteit aan te tonen. Ook dat schilderij is verloren gegaan, maar de beschrijving doet watertanden: buitengewoon mooie vrouwen terwijl ze uit het bad stapten, al hun intiemste lichaamsdelen – hoe subtiel – versluierd met fijn linnen.

Zou dit schilderij echt tot de hoogtepunten van Van Eyck hebben behoord? Als iets alleen maar buitengewoon mooi is, is het snel teveel van het goede. Zo is het in Dresden bewaarde drieluikje van Van Eyck eigenlijk een van zijn minst aantrekkelijke schilderijen. Er staan allemaal mooie dingen op die mooi geschilderd zijn. Spannend is anders. Het is maar goed en het is heel knap dat het klein is, iets meer dan een vierkante meter schilderij. Stel je voor dat Van Eyck zulke grote formaten schilderde als later in de barok gewoon werd, van die joekels die in veel grote musea zaal na saaie zaal in beslag nemen.

Van Eyck, die als boekverluchter ook veel kleiner heeft gewerkt, heeft natuurlijk wel één joekel gemaakt, het altaarstuk voor de Sint-Bavo in Gent. Ook dat schilderij bevat veel prachtige pracht de kristallen scepter van god, zijn kroon bezaaid met edelstenen. Maar de bloemen in het veld doen op dit paneel niet onder voor die edelstenen, en dat is Van Eycks toverkracht.

Op de buitenluiken van het altaarstuk schilderde Jan (of zijn broer Hubert, dat is na 570 jaar nog steeds niet zeker) onder meer een handdoek en een wasbakje. Het gekke is en blijft dat die handdoek en dat wasbakje even mooi zijn als de kroon en de scepter. Hoe dat water in dat bekken glanst. Hoe die handdoek daar zo roerloos hangt. Het zijn twee nederige voorwerpen die door Van Eyck net zo kostbaar worden als het duurste van het duurste en daarom eigenlijk nog mooier zijn. Elke keer als je het ziet, blijft de transformatie wonderbaarlijk. Schilderde hij stro, dan was het goud geweest.

De tentoonstelling `Jan Van Eyck, de Vlaamse primitieven en het Zuiden' is nog t/m 30 juni te zien in het Groeningemuseum, Dijver 12, Brugge. Open: ma, di, do en vr 10-18u, wo 10-21u, za en zo 9-18u. Gesloten op 9 mei. Inl. en res. 00.32.70223302 of www.brugge2002.be. Catalogus 30 euro.