Standpunt Europa nodig over actie van VS tegen Irak

De Europese Raad heeft op zijn vergadering in Barcelona een unieke kans voorbij laten gaan. Een kans om in een zaak van eminent belang voor Europa, en voor de gehele wereld, een duidelijk eigen standpunt te formuleren. Een standpunt bleef achterwege hoewel in de rangen van Europa's staats- en regeringsleiders grote onrust en zorg bestaat. We hebben het over de uitspraken van president Bush over de `As van het Kwaad', een formulering uit de presidentiële State of the Union, die Bush vervolgens enkele malen heeft herhaald. Het gaat daarbij om een drietal zogenoemde `rogue states', landen die het internationale terrorisme zouden steunen, zich zouden toeleggen op de verwerving van massavernietigingswapens en bovendien niet te beroerd zouden zijn om hun verworven kennis en potentieel op dat gebied te delen met terroristische organisaties die het op Amerika en zijn bondgenoten zouden hebben voorzien.

Bush noemde de bedoelde staten niet alleen bij naam Noord-Korea, Iran en Irak hij duidde aan bereid te zijn tot preventieve actie. ,,Geconfronteerd met terreur zullen sommige landen bevreesd zijn. Maar vergist U zich niet: Als zij niet handelend optreden, zal Amerika dat doen'', zei hij. Afgezien van ontstelde reacties van een enkele bewindsman en een lid van de Europese Commissie heeft de EU op deze presidentiële uitdaging niet gereageerd. Zelfs niet nadat duidelijk was geworden dat Amerika niet uitsluit met atoomwapens in te grijpen.

De algemene houding is er nu een van `komt tijd komt raad'. Zowel van Amerikaanse als van Europese kant wordt er de nadruk op gelegd dat het Witte Huis nog geen besluit heeft genomen. Met enige tevredenheid wordt bovendien van Europese kant geconcludeerd dat vice-president Cheney op zijn reis door het Midden-Oosten geen steun heeft gekregen voor een offensief tegen Saddam Hussein. Niet alleen de Arabische wereld, ook NAVO-bondgenoot Turkije vreest de consequenties: een gedestabiliseerde regio, een versplinterd Irak en, evenals na de Golfoorlog, een flinke economische terugslag. De Turken houden bovendien rekening met hernieuwde Koerdische onrust in het grensgebied met Irak en Iran.

De Europeanen lijken te hopen dat de bui wel zal overtrekken. Eerst is het geweld tussen Israël en de Palestijnen aan de orde. De Amerikaanse diplomatie heeft daar de handen vol aan, zeker nu duidelijk is dat Bush na zijn aantreden ruim een jaar geleden er verkeerd aan heeft gedaan de zaken in het Midden-Oosten op hun beloop te laten. Amerika's lang volgehouden afstandelijkheid heeft averechtse gevolgen. De Arabieren hebben er tegenover Cheney geen geheim van gemaakt dat niet Saddam maar Sharon hun grootste probleem is. Voor de Europeanen geldt dat zij zich meer betrokken voelen bij het Israëlisch-Palestijnse complex dan bij het in het gareel houden van de Iraakse onruststoker.

Maar helemaal zich verlaten op het voorbeeld van de struisvogel deden de Europeanen toch ook weer niet. In de marge van `Barcelona' zou wel degelijk gesproken zijn onder het motto `wat te doen?' mochten de Amerikanen de daad bij het woord willen voegen. Premier Blair en kanselier Schröder zouden daar de Amerikaanse zorgen hebben gedeeld dat Irak de beschikking zou kunnen krijgen over massavernietigingswapens en die aan derden ter beschikking zou stellen. Maar dit betekende nog niet dat beiden zich eensgezind achter de Amerikanen schaarden en de anderen opriepen hetzelfde te doen. Schröder heeft in kleine kring laten weten dat een passende resolutie van de VN-Veiligheidsraad voorwaarde zou zijn voor Duitse medewerking aan een militaire actie.

De vraag is of dat de meest voor de hand liggende optie is. Dan zou de eerste verantwoordelijkheid bij de permanente leden van de Veiligheidsraad komen te liggen. Dat zou Duitsland als outsider goed uitkomen, maar de betrokken landen zullen er weinig voor voelen. De Fransen hopen nog steeds dat Saddam weer internationale inspectie zal toelaten. Het Kremlin van Poetin zou bereid zijn bij de liquidatie van de Iraakse leider de andere kant op te kijken mits Amerika garanties geeft dat Irak zijn schulden betaalt en dat Russische ondernemingen bij de oliewinning in dat land betrokken blijven. Een pragmatische aanpak mag daarom eerder worden verwacht dan een opgetuigde resolutie.

Een door de anderen gedoogde Amerikaanse operatie in plaats van een collectieve onderneming ligt in de rede. Bush liep daar op vooruit toen hij zei: ,,Als zij (de volgens hem bedreigde landen/JHS) niet handelend optreden, zal Amerika dat doen.'' Duidelijker was regeringsadviseur Richard Perle. Tijdens een samenspraak voor de Council on Foreign Relations sprak deze staatssecretaris van Defensie in de regering-Reagan zich uit voor een spoedige verwijdering van Saddam met hulp van de Iraakse oppositie binnen en buiten Irak, ongeveer naar het voorbeeld van de rol van de Noordelijke Alliantie in Afghanistan. Over kritische waarschuwingen uit Europa zei hij: ,,Geen van de landen die voorbehoud maken worden bedreigd zoals wij bedreigd worden. [...] Wij waren het doelwit op 11 september, niet de Fransen. De Fransen hebben een andere manier van omgaan met Saddam. De Russen hebben weer een andere manier, niet zo verschillend van de Franse. En de meeste van onze Europese bondgenoten voelen zich niet uitgedaagd of bedreigd door Saddam Hussein. Maar Saddam heeft geen geheim gemaakt van zijn gevoelens tegenover ons. [...] onze situatie is fundamenteel verschillend van die van enig ander land, in het bijzonder van onze bondgenoten in Europa.''

Europese politici zouden de betekenis van deze woorden tot zich moeten laten doordringen. Europa bevindt zich in een andere situatie dan Amerika, daarin heeft Perle gelijk. Het merkwaardige is dat dit in Amerika beter wordt aangevoeld dan in Europa. Na de loyaliteitsverklaring van de NAVO als reactie op de elfde september hebben de Amerikanen schaars gebruik gemaakt van de aangeboden steun. In Afghanistan maken zij unilateraal de dienst uit. Bij Saddam zal dat niet anders zijn.

Het zou goed zijn als ook van Europese kant wordt uitgesproken dat het aloude Atlantische bondgenootschap niet noodzakelijkerwijs en vanzelfsprekend tot totale eensgezindheid in alle denkbare en voorkomende internationale crises leidt. De bedreigingen en de inzichten daarover verschillen, wat zou moeten leiden tot uiteenlopende conclusies. Hadden de Europese leiders in Barcelona daartoe maar een aanzet gegeven. In het openbaar. Opdat Europese burgers een begin hadden kunnen maken hun gedachten te ordenen over een kwestie die ook hun aangaat. Nu moeten zij het doen met een paar verwijten over en weer die geen zichtbaar politiek vervolg hebben gekregen.

J.H. Sampiemon is oud-redacteur van NRC Handelsblad.