Punt cultuur gescoord

Als er iets is dat er niet toe doet in het Nederlands onderwijs, dan is het wel kunstgeschiedenis. Op de lagere school worden wat verplichte museumbezoeken afgelegd, middelbare scholieren gaan veelal naar een tentoonstelling om `effe een punt cultuur te scoren' en menig aankomend academie-student, afdeling schilderen, komt – gevraagd naar favoriete schilders – niet verder dan Rembrandt en Dalí.

Dat kunstgeschiedenis educatief gezien zo armetierig bedeeld is beseffen de musea inmiddels ook. Het Stedelijk Museum in Amsterdam geeft sinds februari dit jaar viermaal per jaar een Kinderbulletin uit – meer een reclamefolder voor zijn kleuter-workshops – en Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam distribueert deze maand onder 11.000 scholieren van de bovenbouw de beeldende kunstgids Talking to You! - Art for You(th), met thema's als `Je diepste Zelf' en `Help een haar!' (over lichaamsbeharing), aangereikt door de leerlingen en nogal willekeurig geïllustreerd met kunstwerken uit alle tijden.

De Rotterdamse Kunsthal brengt al vanaf 1997 kunstboekjes voor kleinere kinderen. Kunsthistoricus en Kunsthal-directeur Wim Pijbes heeft nu het negende deeltje geschreven, Het kleine schilderboek, afgeleid van Het schilder-boeck uit 1604, waarin biograaf Karel van Mander schilderlevens inventariseert. In korte, royaal geïllustreerde teksten stelt Pijbes zich op als kunstschilder èn als -leraar, vandaar dat de onderwerpen variëren van verf mengen tot het verbeelden van poep en pies in de kunst. Wat poep betreft spant Piero Manzoni natuurlijk de kroon, want voor diens ingeblikte ontlasting (een multiple uit 1961) betalen verzamelaars graag een ton of meer. En daar kijkt zowel jong als oud van op.

De poep is gelukkig een zijpad. Het boekje moet vooral met een speelse ernst kinderen iets te leren over het hoe, wat en waarom van een schilderij. Hoe verhouden zich warme en koele kleuren tot elkaar en hoe prop je een compleet kerkinterieur op een klein stuk linnen? Wat maakt bloemen zo aantrekkelijk voor een stilleven – kleuren dus – en wat biedt Jan van Eyck (1434) voor raadsels op zijn beroemd geworden portret van Giovanni Arnolfini en zijn bruid? En waarom, trouwens, gingen schilders eind vorige eeuw ineens vaak buiten schilderen? Gewoon, omdat de handige tube net was uitgevonden, zodat ze hun potten konden thuislaten.

`In dromen en schilderijen is niets onmogelijk', schrijft Pijbes. En de gereproduceerde kunstwerken – van Brueghel tot Bart van der Leck – vertellen daarnaast dat in de beeldende kunst ook alles is toegestaan. Het kleine schilderboek spoort dan ook niet alleen aan tot kijken, maar ook tot doen. Juffrouws en meesters moeten er gewoon af en toe eens een hoofdstukje uit voorlezen. Dat museumbezoek komt dan vanzelf wel.

Wim Pijbes: Het Kleine Schilderboek. Waanders, 32 blz. E11,–