Politiek is achteromkijken

Sinds de komst van Pim Fortuyn is de politiek terug in het dagelijks gesprek. Burgers wilen de macht heroveren op een `kaste' van politieke professionals die het contact met de samenleving is verloren. Hoe vindt de overheid de weg terug?

Al vóór de opkomst van Pim Fortuyn was er een kentering zichtbaarin het denken over bestuur en politiek. Nadat het zich ongeveer twintig jaar in de richting van de markt bewogen had, gaat het nu weer richting overheid. De crisis bij de spoorwegen, en het succes van Leefbaar Nederland hebben daar zeker toe bijgedragen.

Deze herwaardering van de politiek en de publieke zaak kan niet worden opgevat als een simpele terugkeer naar het verleden. Niemand wil weer naar de jaren zeventig terug, toen de pretenties èn de kosten van de verzorgingsstaat voortdurend toenamen. Over de hele breedte van het politieke spectrum is men ervan doordrongen geraakt dat particulier initiatief een voorname rol vervult. Het gaat er veeleer om een volgende stap te doen.

Dat valt af te leiden uit drie studies die eind vorig jaar bij uitgeverij de Balie in Amsterdam verschenen zijn. Het geldt in de eerste plaats voor De verplaatsing van de democratie door Jelle van der Meer en Marcel Ham. Zij behandelen na een summiere inleiding vooral de praktische problemen die zich bij het uitvoeren van beleid aandienen. Daartoe verkennen ze vier domeinen: basisonderwijs, volkshuisvesting, landbouw en media. Op elk van deze terreinen is inmiddels meer vrijheid voor organisaties of instellingen ontstaan. Scholen krijgen meer zelfstandigheid bij het besteden van geld, het aantrekken van personeel en de invulling van het onderwijs. Woningbouwcorporaties fungeren al een aantal jaren als private ondernemingen, zij het dat ze ook sociale doelen nastreven. Het boerenbedrijf tracht zich te ontworstelen aan Haagse regelzucht en probeert nieuwe werkwijzen te ontwikkelen. En de massamedia hebben – hoewel zij strikt genomen nooit onder een overheidsregie vielen – eveneens een meer zelfstandige rol verworven.

Basisdemocratie

Maar hoe staat het met de verantwoording? Wie mag of moet erop toezien dat deze grotere zelfstandigheid van particuliere ondernemingen op een juiste wijze wordt benut? Volgens sommigen komt het aan op de afnemers zelf. Zij willen bijvoorbeeld ouders een voorname rol geven als het erom gaat de kwaliteit en doelmatigheid van scholen te beoordelen. Anderen beschouwen het toezicht als een taak van de gemeentelijke overheid, bijvoorbeeld als het om de uitvoering van stadsvernieuwing gaat. In sommige gevallen wil men een nieuw regionaal orgaan instellen dat op de samenhang tussen landbouw, toerisme en natuurbeheer toeziet. In andere gevallen blijft het toezicht een zaak van de rijksoverheid en dus voor bestuurders of politici.

Ofschoon de auteurs zich niet voor één optie uitspreken, blijft hun verlangen naar een vorm van basisdemocratie merkbaar. Ze stellen dat de feitelijke zeggenschap over tal van beleidsterreinen zich heeft verplaatst naar private uitvoerders en willen dat ouders, huurders, boeren of journalisten zóveel tegenmacht (kunnen) ontwikkelen dat er een democratisch evenwicht ontstaat. Voor staat, overheid of politiek in traditionele zin is wat hen betreft geen centrale rol meer weggelegd.

Over dat laatste punt heeft Pieter Hilhorst beter nagedacht in De wraak van de publieke zaak. Hij verdiepte zich in de wetshandhaving, sociale zekerheid, het onderwijs en het vreemdelingenbeleid. Hoewel zijn aanpak beschrijvend is, werkt hij ook een algemene visie uit. Hij stelt onder meer de invloed van het oude maakbaarheidsdenken aan de kaak. Op de meeste beleidsterreinen heerst nog altijd een top-down benadering: men legt van bovenaf bepaalde veranderingen op, houdt weinig rekening met inzichten of ervaringen op het lagere niveau en hecht aan een uitgesproken rationalistische werkwijze. Er overheerst kortom nog altijd een ingenieursvisie, waarbij problemen uit hun context geïsoleerd worden om ze vervolgens van een niet-politieke oplossing te voorzien. Dit is één van de bronnen van onvrede waar Fortuyn uit put.

Hilhorst denkt dat het heel anders kan. Zo bepleit hij meer vrijheid en zelfstandigheid voor degenen die met de uitvoering van het beleid belast worden. Met betrekking tot de politiek stelt hij een nieuwe en prikkelende definitie voor: politiek als achteruitkijken. Het gaat er niet langer om een ideologische visie te ontwikkelen of om grote maatschappelijke doelen vast te stellen. De voornaamste opgave is momenteel om kritisch na te gaan wat er in de praktijk gebeurt.

Daarmee staat opnieuw het vraagstuk van de verantwoording centraal. Zowel uitvoerders als beleidmakers, bestuurders en politici moeten in een democratie rekenschap afleggen. Toch is dat iets anders dan het populaire `afrekenen' op resultaten. In de politiek gaat het niet zozeer om rekenen, maar om oordelen op grond van overwegingen die niet vergelijkbaar of zelfs strijdig zijn. Deze aan Hannah Arendt ontleende opvatting van politiek zou kunnen zorgen voor een zeker tegenwicht. Dit betekent niet dat het oordeel over de publieke zaak een voorrecht van politieke professionals zou moeten zijn. Hilhorst stelt juist voor om gewone burgers actiever te betrekken bij de beleidsvorming.

Dat element van openbare verantwoording speelt eveneens een centrale rol in Verbroken verbindingen door Paul 't Hart. De ondertitel van dit boekje is enigszins misleidend, want die suggereert dat er in Nederland een `inquisitie-democratie' ontstaat waardoor bestuurders en politici hun leven niet meer veilig zijn. Dat neemt niet weg dat beleidmakers zich vaker dan voorheen moeten verantwoorden. Daar ligt ook het zwaartepunt van deze uitgave. In feite vormt zij een beknopte cursus bestuurskunde, maar dan vanuit de vraag hoe bestuurders tegen verschijnselen als tijd en geschiedenis aankijken. De meesten zien regeren als een poging tot vooruitkijken. Vandaar dat ze hun blik bij voorkeur op de toekomst richten en op een rationele wijze te werk gaan. Zo staat het ook in alle handboeken bestuurskunde en management. 't Hart maakt echter aannemelijk dat het in de bestuurlijke praktijk heel vaak om het verleden en de daarbij behorende gevoelens gaat.

Assertieve burgers

Zo formuleert 't Hart een amusante typologie van negen soorten bestuurders die elk op een eigen wijze met het verleden in het reine trachten te komen. De centrale vraag is of men er als bestuurder iets van leert. Want de uitvoering van het overheidsbeleid zou veel minder moeilijkheden met zich meebrengen als men niet op een ingenieurachtige, maar op een historiserende manier te werk ging. Met andere woorden: bestuurders die louter naar de toekomst kijken en zich beperken tot strikt rationele middelen zijn onderdeel van het probleem. Vaak is het verstandiger om zich te verdiepen in de geschiedenis van dat probleem, na te gaan welke fouten in een eerder stadium gemaakt werden en van daaruit stap voor stap aan een verbetering te werken.

Aldus markeren deze drie studies een wending in het denken over de publieke zaak. Het debat gaat niet zozeer om de keuze tussen private en collectieve aansturing, maar om een tegenstelling die dwars door die tegenstelling heen loopt en eigenlijk veel interessanter is. Enerzijds werd het streven naar meer vrijheid de afgelopen decennia steeds sterker, en burgers staan die ruimte niet meer af. Anderzijds groeide óók de behoefte aan openbare verantwoording.

Bij velen is het besef ontstaan dat marktwerking zonder toezicht allerlei ontsporingen tot gevolg heeft en dat dit om een krachtig staatsoptreden vraagt. De meeste waarnemers vinden dat een paradoxale ontwikkeling. `De overheid moet terugtreden én optreden', schreef Bram Peper. Op het eerste oog is dat inderdaad niet te verenigen, maar in werkelijkheid gaat het om twee kanten van dezelfde zaak. Hoe meer de overheid zich uit een aantal velden terugtrekt om ruimte te bieden aan het particulier initiatief, des te meer is het noodzakelijk dat een volstrekt onpartijdige instantie toezicht houdt op het doen en laten van de betrokkenen.

Het pleidooi voor marktwerking of privatisering is dan ook niet in strijd met een herwaardering van de publieke zaak. Het gaat er niet om dat alles weer collectief geregeld wordt, maar er moet wel een instantie zijn die ervoor zorgt dat de private dienstverlening goed geregeld is. In dat verband zijn vier punten uit de hier besproken boeken relevant. Ten eerste het belang van onpartijdige beoordeling en voorlichting. Ten tweede een langere tijdshorizon dan de komende verkiezingen. Ten derde meer aandacht voor de irrationele elementen in het beleid. Ten vierde de wens om burgers een meer actieve rol te geven, zowel bij de voorbereiding van beleid als bij het oordeel over de praktische uitvoering. Een en ander zou kunnen uitlopen op een herwaardering van het republikeinse ideaal dat Hannah Arendt verdedigde. Wellicht was zij haar tijd vooruit en krijgt dat ideaal pas in onze tijd voor een brede kring betekenis. Vermoedelijk draagt het feit dat er steeds méér hoog opgeleide, goed geïnformeerde en assertieve burgers zijn daar wel toe bij.

Jelle van der Meer en Marcel Ham: De verplaatsing van de democratie. De Balie, 120 blz. E11,13

Pieter Hilhorst: De wraak van de publieke zaak. De Balie, 148 blz. E13,40

Paul 't Hart: Verbroken verbindingen. Over de politisering van het verleden en de dreiging van een inquisitiedemocratie. De Balie, 160 blz. E11,13