Ook een hond heeft een thuis

De poëzie van Miriam Van hee is verraderlijk helder. Zo vluchtig als het alledaagse, zo vluchtig lijken haar versregels bij eerste lezing. Haar onderwerp schijnt zich ook tot het leven van alledag te beperken: tot de kamer met het uitzicht op de treinen en de spoorwegberm, tot de kinderen samen in het grote bed, of de wesp in de confituur. Zelfs wanneer de dichteres een ver gelegen oord beschrijft, haakt ze in op wat haar vertrouwd is. `Zo had ik mij vroeger de ziel voorgesteld,' schrijft ze over David Garedzja in Georgië: `als een land/ waaruit men is weggegaan/ met lege huizen tegen de helling.' Maar de zekerheid die haar formulering lijkt uit te stralen is schijn. Er is veel wankelmoedigheid in Van hees gedichten. Zo eindigt het gedicht over David Garedzja in een verhuld vraagteken, als ze het landschap in de slotregels met een huisdier stoffeert:

daartussen loopt soms nog

een hond in een oud karrespoor

en je denkt: ook een hond

heeft een thuis, is het niet

ook een hond heeft een thuis

De herhaling heeft een bezwerende ondertoon, en er zijn meer gedichten in de bramenpluk waarin herhaling die rol speelt. Zoals in haar eerste vier bundels zoekt Miriam Van hee ook nu weer bezwering tegen de dreigingen van het onbepaalde. Haar taal is kwetsbaar, maar juist zo lijkt ze zich in weerbaarheid te oefenen.

Sinds haar debuutbundel Ingesneeuwd (1984) heeft de poëtische stijl van Van hee zich amper ontwikkeld. Haar taal en beeldspraak zijn constant subtiel en beheerst. Weemoed en ontroering zijn haar werkveld, maar geen vers is sentimenteel. En hoe simpel ook het beschrevene, de regels zijn altijd raak. Neem een gedicht als `vertrek':

de kachel was al uitgegaan

de deur stond open en we keken

naar de regen, op mijn knieën zat

de kleine zwarte kater vruchteloos

te spinnen, hij zat er spaarzaam,

klaar om weg te springen

hij wist de melk staan en het vlees

en misschien ook wat wij voor hem

verborgen hielden: dat hij niet te kiezen had

ik herinner mij zijn warmte

op mijn schoot en zijn gespin

toen jij de vensterluiken sloot

en met de sleutels in je hand

mij maande, dra werd het licht

we moesten gaan

Alledaagser kan het haast niet. Maar tussen de regels door zingt een dreiging mee, en de slotregels kunnen ook apocalyptisch gelezen worden.

Humor is een zeldzaam goed in het oeuvre van Miriam Van hee. Toch staan er in de bramenpluk een aantal geestige passages. In het eerste en derde gedicht van de reeks `Avond in Dun Laoghaire' stelt een dame uit Letland hoe de Finnen de Lappen gestaag naar het noorden op de landkaart duwden, en dat de Pruisen zo strijdlustig waren dat ze allemaal gesneuveld zijn en er niemand meer Pruisisch spreekt. En wij Letlanders, kwettert ze, zijn met weinigen, `daarom praten we veel.' Haar wereldbeeld is opgewekt weerbarstig, maar ook zij blijkt wankelmoedig. `Het leven is lang,' concludeert ze, `en je kunt het niet ruilen.' En die conclusie past wonderwel bij de toon van het tweede en vierde gedicht van de reeks, waarin Van hee zelf met een onbestemd gemoed het woord voert.

Opvallend aanwezig in de bramenpluk zijn de dieren. Terloops, zoals de hond in `david garedzja', maar ook als onderwerp van een heel gedicht, zoals de gieren, de hermelijn en de kauwen. Vooral `de gieren' spreekt mij aan. Van hee zet ze boven op de rotsen trefzeker `gezellig bijeen/ als werkloos geworden detectives', en zo wachten ze tussen hun schouders verzonken. Maar `waarop dan,/ en is het wel wachten?' vraagt Van hee. En dat is het begin van een lange reeks vragen. Waarover praten ze met elkaar? Over het weer? (want het regent zachtjes):

hebben de gieren een jeugd,

een geheugen? hebben ze

dromen? zijn ze verlegen?

dat weten wij niet

alleen dat ze wind

liever hebben dan regen

De toon is luchtig, maar ook hier overheersen de vragen het antwoord.

Miriam Van hee: de bramenpluk. De Bezige Bij, 54 blz. E16,50