Mozes

Sportorganisaties bemoeien zich in de praktijk niet met politiek, want daarvoor zijn ze niet opgericht. Er zijn natuurlijk altijd uitzonderingen, zoals de Amsterdamse voetbalclub AFC. Vlak voor de Eerste Wereldoorlog doneerde deze enkele tientjes aan de plaatselijke liberale partij. Maar dat gebeurde met een duidelijk doel: de liberalen waren voorstander van sportbeoefening op zondag. En in de jaren dertig heeft kort een communistische voetbalbond bestaan die sport wilde bedrijven met ,,een kameraadschappelijke moraal op hoogstaand en bewust klassepeil''.

Dat klinkt niet echt ontspannend. Maar het zich niet bemoeien met politiek is iets anders dan los staan van de maatschappij. Zoals Feyenoord bijvoorbeeld, dat in de moeilijke jaren dertig alles deed om het leven van zijn leden aangenaam én verantwoord te laten zijn. Jonge voetballertjes met meer interesse voor de sport dan hun school werden naar huis gestuurd om eerst huiswerk te maken. Werkloze leden betaalden een lagere contributie. En in het eerste nummer van 1939 van clubblad De Feyenoorder dook een opvallend bericht op, dat door de prominente leden was ondertekend.

Vanuit de Verenigde Staten was in die jaren het zogenaamde morele herbewapeningsoffensief overgewaaid naar Europa, met alle aandacht voor internationale verbroedering. Deze beweging had een sterk religieus karakter dat gebaseerd was op de bergrede van Mozes. In Nederland was deze beweging doorgedrongen tot in de allerhoogste kringen. Zelfs koningin Wilhelmina werd gezien als een enthousiaste volgeling. In Rotterdam-Zuid wilden ze ook meedoen.

`De wereld, waarin wij thans leven', lazen de Feyenoorders, `is vol van ellende, vol van haat, armoede, enz. en we zien alles om ons heen afbrokkelen en neerslaan. (...) Wij geloven, dat het de taak is van de sportlieden om de beginselen der sport – paraatheid, tucht en samenwerking – te laten gelden, opdat zij overheersend mogen worden in het leven van het gehele land. (...) Dat zal betekenen, dat vrees, wraakgierigheid, afgunst en slapheid – de krachten die de nationale paraatheid tegenwerken – verdwijnen zullen en uit onze apathie zal een nieuw verlangen naar nationale paraatheid in het licht treden.'

De oproep werd ondertekend door alle prominenten die Feyenoord toen rijk was: de stadiondirecteur, de erevoorzitter en de rest van het bestuur, de redacteuren van de Feyenoorder en de belangrijkste voetballers. Wat de bedoeling was, is niet geheel duidelijk. Vermoedelijk hoopten deze mensen met het bericht de maatschappelijke verantwoordelijkheden van hun leden te benadrukken. Want zoals gezegd hechtte de voetbalclub daar veel waarde aan, ondanks de tegenwind in de samenleving. Maar de realiteit was hard. `Laten wij hopen dat ons land voor het oorlogsrumoer gespaard blijven', schreef het clubblad nog in januari 1940. We weten hoe het Rotterdam verging vier maanden later.

jurryt@xs4all.nl