Moord op de politiek

Over in zichzelf gekeerd denken gesproken. Nog steeds verbazen politici aan het Binnenhof zich over de `plotselinge' ommekeer van het electoraat. VVD-aanvoerder Hans Dijkstal verwoordt dat treffend in een vraaggesprek met het weekblad Vrij Nederland van deze week. ,,Alle peilingen gaven tot het najaar van 2001 aan dat het vertrouwen in het paarse kabinet groot was. Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau voelde de Nederlander zich gelukkig. Dus zijn we allemaal door de ontwikkeling overvallen.''

Hoeveel naïveteit mag een politicus zich veroorloven? Voor Dijkstal geldt één excuus: met hem zijn er nog vele anderen in de Haagse binnenwereld die er zo over denken. Verrast door de ontwikkelingen, omdat er niets over in de officiële rapporten stond. Blijkbaar nooit iets gelezen over grote groepen mensen die zich onveilig voelen, nooit iets gelezen over wachtlijsten, nooit iets gelezen over de oplopende lerarentekorten, nooit iets gelezen over de ellende op het spoor. Vol vertrouwen richtte men zich op de volgende verkiezingen, want volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau ,,voelde de Nederlander zich gelukkig''. Misschien helpt het als de Haagse politiek eens wat minder gaat vertrouwen op een planbureau en in plaats daarvan een observatiebureau inschakelt. Anders gezegd: wat minder op het Binnenhof rondhangt en bijvoorbeeld een kilometer verderop in de Haagse Schilderswijk gaat kijken. Hoe vaak is dat voornemen niet uitgesproken na een verkiezingsnederlaag? En hoe snel is dat vervolgens weer vergeten. Om daarna, zoals premier Kok vorige week tegenover de Volkskrant deed, het verschijnsel Fortuyn te bestempelen als ,,een wake-up call voor de gevestigde partijen''.

Nog steeds zweert een groot deel van de politiek liever bij de rapportenwerkelijkheid dan bij de echte werkelijkheid. Het rekenmodel is heilig. Den Haag debatteert over cijfers, terwijl de rest van de samenleving zich baseert op ervaring; zie hier de kloof. Het is juist de instinctieve cijfermatige benadering die elk politiek debat heeft gesmoord. Daarvoor betaalt de `oude' politiek nu de rekening. Pim Fortuyn wordt buiten de orde geplaatst omdat zijn programma geen `financiële onderbouwing' kent. Getuige zijn aantrekkingskracht vinden maar weinigen buiten Den Haag dat echt een probleem.

In de politiek gaat het om inhoudelijke keuzes. Natuurlijk wordt de argumentatie van keuzes versterkt als er sprake is van cijfermatige bewijsvoering. Maar het wordt een probleem als virtuele cijfers de kernvragen overschaduwen. Het doet heel verantwoord aan als politieke partijen een bewijs van goed gedrag afhalen bij het Centraal Planbureau, maar vraag niet wat daaraan voorafgaat.

In het voorwoord bij de deze week gepresenteerde studie naar de economische effecten van de partijprogramma's schrijft directeur Don van het Centraal Planbureau dat een groot deel van de waarde van de analyse schuilt in de informatie-uitwisseling die met de partijen aan de publicatie is voorafgegaan. Hier staat dus: hoe de verkiezingsprogramma's zijn aangepast aan de wensen van het CPB. In het door de leden goedgekeurde programma van het CDA staat bijvoorbeeld over de WAO dat alleen arbeidsongeschikten ,,met een helder en medisch duidelijk toepasbaar ziektebeeld'' mogen worden toegelaten. Te weinig concreet om te kunnen berekenen, oordeelde het Planbureau, waarna de CDA-top de passage vertaalde in een wel in de computer te stoppen tekst: mensen met psychische klachten horen niet langer thuis in de WAO. Geen gewoon lid dat nog aan de aanscherping van de tekst te pas is gekomen, maar dankzij het CPB wel tot CDA-beleid verheven.

De dominantie van het rekenmodel zet de interne partijdemocratie opzij. Het CDA is hierin niet uniek. Het is juist dé klacht tegen de CPB-toets. Om die reden stelde PvdA-fractievoorzitter Melkert bijvoorbeeld vier jaar geleden voor te breken met de Planbureau-cultus. Een oproep waar sindsdien weinig meer van is vernomen. Integendeel, met de berekeningen van het Planbureau in de hand, meende hij deze week de politieke concurrentie de les te moeten lezen.

De controle door het Planbureau werkt zonder meer disciplinerend. Maar dat betekent nog niet dat het Planbureau maatgevend moet worden. Dat dreigt te gebeuren bij politici die geobsedeerd zijn door cijfermatig onderbouwde prognoses waarmee een schijnwerkelijkheid dito schijnzekerheid te voorschijn wordt

getoverd.

Het debat over de opvolging van de F16 gevechtsvliegtuigen is hiervan het jongste voorbeeld. De controverse spitst zich toe op de vraag hoeveel de staat (indirect) bijdraagt aan de industrie met de keuze voor de Amerikaanse Joint Strike Fighter. Onzekere aantallen vliegtuigen worden gedeeld door ver in de toekomst liggende jaartallen, om een saldogrootheid te kunnen presenteren waar de minister van Financiën (!) tevreden mee is.

Het is een puur boekhoudkundige benadering die basale politieke vragen verdringt. Kan nu al voorspeld worden waar de luchtmacht over vijftien jaar behoefte aan heeft? Is er dan nog wel een nationale luchtmacht? Hoe verhoudt een keuze van een Amerikaans toestel zich met het streven naar Europese eenwording? Politieke vragen waar de koopman nu even geen behoefte aan heeft. Als de virtuele cijferexercities maar kloppen.

Of het nu gaat om gevechtsvliegtuigen, integratie van minderheden, gezondheidszorg, onderwijs etc; het Nederlandse politieke debat wordt consequent teruggebracht tot een dispuut over arbitraire, ver weg liggende getallen. Altijd blijkt de werkelijkheid weer anders uit te vallen. Maar op dat moment bevinden politici zich alweer in een andere verre toekomst. Alleen de kiezers niet. Die houden zich bij de realiteit. Zoals de gevestigde politiek nu pijnlijk ondervindt.