In een woestijn van protestantisme

Wat jammer dat de al sinds 1970 in Nederland wonende, maar van oorsprong Amerikaanse Ethel Portnoy (1927) niet in het Nederlands schrijft. Had ze dat wel gedaan, dan waren haar verhalen- en essaybundels ongetwijfeld bij herhaling genomineerd voor literaire prijzen en was haar oeuvre aanzienlijk bekender geweest.

Ter gelegenheid van haar 75ste verjaardag zijn nu haar beste autobiografische verhalen gebundeld onder de titel Portret, een verzameling waaruit overtuigend blijkt dat haar werk de hoogste erkenning verdient. Maar ja – helaas moest de uitgever wederom vermelden dat de verhalen vertaald zijn: door haar ex-echtgenoot Rudy Kousbroek, hun dochter Hepzibah en Tinke Davids. De reglementen van de meeste prijzen gebieden nu eenmaal dat alleen oorspronkelijk Nederlands proza voor beoordeling in aanmerking komt. Gelukkig toonde het feministische maandblad Opzij zich in 1991 minder bekrompen toen het Portnoy beloonde met de Annie Romeinprijs voor haar hele oeuvre.

Met het bouwen van dat oeuvre, inmiddels bestaande uit een kleine twintig titels, begon Ethel Portnoy in 1971. Dat jaar debuteerde ze met Steen en been, waarvan in Portret de verhalen `Rosebud', `Een krans voor Sylvia', `Mijn bijdrage aan de Amerikaanse oorogsinspanning' en `Melk' (op basis van een brief aan W.F. Hermans) zijn opgenomen. Uit de bundels Het ontwaken van de zee (1981), Vliegende vellen (1983) en De eerste zoen (1991) stammen de overige bouwstenen van Portret, aangevuld met zes niet eerder gebundelde verhalen. Samen vormen ze niet alleen de autobiografie van de immigrantendochter Ethel Portnoy maar tevens, zoals ze het zelf uitdrukt in het (met het oog op 11 september) welhaast profetische aan haar broer gewijde verhaal `De lijstenmaker', een deel van de geschiedenis van haar geboorteland.

De broer van Ethel Portnoy is de vleesgeworden Amerikaanse droom, de krantenjongen die miljonair werd. Iedere keer als ze hem de afgelopen decennia in New York opzocht, reed hij in een duurdere auto en bezat hij een groter huis. Op een gegeven moment komt ze erachter dat hij als fabrikant nauwelijk nog produceert. Hij speculeert op de beurs en brengt zichzelf, net als veel andere Amerikanen, in een roes `door winst te maken op sprookjesgeld'. Om zijn riskante financiële successen te vieren neemt hij haar mee op een onbetaalbaar chic bootreisje rond Manhattan. De vereuropeesde Ethel vertrouwt het niet, voelt zich unheimlich. `In stilte keek ik hoe de grijze gebouwen van Manhattan voorbijtrokken. Het waren er zoveel, vlak tegen elkaar aan, op dat kleine stuk grond, elkaar verdringend tot in het centrum van het eiland; massief en zwaar reikten ze tot vlak aan de oever. Die zou afbrokkelen! Ze zouden instorten!'

Ethel Portnoy groeide als dochter van eenvoudige Russisch-joodse immigranten op in de Bronx in New York. Veel van haar verhalen spelen zich daar af en geven een beeld van wat we nu multiculturalisme en (pogingen tot) integratie noemen. Met alle verschillen die het immigratieland Amerika van toen onderscheiden van wat zich nu in onze samenleving afspeelt, zijn er toch tot optimisme stemmende overeenkomsten te bespeuren. Zo vertelt ze dat haar moeder nauwelijks kon schrijven, dat haar ouders nooit een Engelstalig boek in huis haalden en dat het lager onderwijs dat ze genoot van niet al te beste kwaliteit was. Desondanks wist ze haar milieu te ontstijgen door naar de universiteit te gaan en zich dankzij allerlei baantjes geld te verschaffen voor boeken, film en opera. Uiteraard stimuleerde de wil tot aanpassing die haar ouders tentoonspreidden haar ontwikkeling, zoals blijkt uit het verhaal `Spiegeltje, spiegeltje...' Had haar grootmoeder in Europa naar orthodox gebruik nog een pruik gedragen, Ethels moeder nam `vanaf het ogenblik dat ze voet zette op Amerika's kust, Amerika's manieren over – epileerde haar wenkbrauwen tot een smalle boog, en schafte zich een garderobe aan naar de mode van de late jaren twintig.'

Toch ging de integratie van immigranten niet alleen maar over rozen. In `Rosebud' beschrijft Portnoy de buurt waar ze woonde als een dorp waarin de joodse bewoners zich verenigden tegen de woestijn der blanke protestanten en tegen de Italianen met hun agressief klinkende taal, hun armoede en hun uitheemse eten. De Italianen werden als `niet helemaal menselijk' beschouwd, als wezens die niet over al hun faculteiten beschikten, omdat zij `poppen' aanbaden. `Ik neem aan', schrijft Portnoy, `dat de manier waarop wij joden ons tegenover de Italianen gedroegen niet vrij was van een racistische inslag.'

In 1950 vestigde Portnoy zich in Parijs waar ze aan de Sorbonne studeerde, een baan kreeg bij de Unesco en de Nederlandse schrijver Rudy Kousbroek ontmoette. Aan haar tijd bij de Unesco zijn in Portret twee hilarische geschiedenissen gewijd, waarvan er één vertelt over Portnoys uitgekiende moord op de Parijse toneelrecensent Peter Gelbard. Tot de niet eerder gebundelde verhalen behoort `Dieren die ik heb gekend' waarin Portnoys Parijse jaren met Kousbroek aan bod komen. Ze hadden een konijn, Schubert, dat aanleiding gaf tot `een vreselijke scène met Hugo Claus' omdat hij tijdens een feest de deur had laten openstaan waardoor het muzikale knaagdier ontsnapte. Maar geestiger dan deze anekdote zijn de vragen waarmee het verhaal opent en die de spotlustige, afstandelijke waarneemster Ethel Portnoy ten voeten uit typeren: `Waarom hield mijn moeder niet van dieren? Omdat ze niet joods waren?'

Ethel Portnoy: Portret. Meulenhoff, 222 blz. €15,95