Ik wil je niet verliezen

Moderne dichters schrijven psalmen om zich uit te kunnen spreken over grote zaken als tijd en eeuwigheid. ,,Sta rechtop, tast de hemel af/ en erken: ik voel niets, niemand.''

Systeem! Verschoon het misverstand

waarbinnen ik moet blijven,

maar...Heeft u ook een buitenkant?

Dit is de aanhef van een psalm van Leo Vroman, om precies te zijn Psalm XIV uit zijn bundel Psalmen en andere gedichten die hij in 1995 publiceerde. Sindsdien heeft hij nog vele psalmen geschreven, ook in zijn vorig jaar verschenen bundel De gebeurtenis staan ze: `Een psalm voor inzicht', `Een psalm voor het moment', `A psalm for Albert Einstein'. Allemaal beginnen ze met de aanhef `Systeem!'. Dat Systeem wordt verder `U' genoemd, zoals men dat in de traditionele psalmen met God doet – tenminste in de Nederlandse vertalingen, Duitsers en Fransen tutoyeren. Vroman maakte meteen in Psalm I duidelijk waarom hij geen `God' wilde schrijven, `geen Heer of ander Woord': die namen zijn te veel misbruikt. Zijn Systeem `spitst geen oog of baard/ en draagt geen slepend kleed', zijn Systeem is beslist niet antropomorf, geen lieve aanwezigheid, geen wrekende kracht of iets uit naam waarvan men anderen kan afmaken of de wet voorschrijven. Systeem is zo'n beetje alles. De natuur. `Aard van ons hier en nu.' Systeem kan men zich niet groot genoeg denken. In een woord vooraf bij een bibliofiele uitgave van twaalf psalmen schreef Vroman: ,,Wel wil ik geloven in een Systeem dat onmenselijk groot is en dat ons menselijk heelal, en elk ander heelal, waarin iedereen en alles een onbegrijpelijk mooie plaats inneemt, bestuurt. Als ons eigen heelal nu nog zwelt, en dan misschien weer ineenstort tot een enkel punt, is dat misschien wel Systeems natuurlijke ademhaling. Waar mogen we dan nog om bidden? Dat die ademhaling nooit zal stokken.''

In dit tekstje zegt Vroman een paar dingen waar iedereen die een psalm leest of schrijft mee te maken krijgt: psalmen hebben betrekking op de verhouding tussen mens en God of een godgelijke/godvervangende instantie en ze hebben iets te maken met bidden. In de Hebreeuwse psalmen is dat zo en in de vele nieuwe psalmen die de afgelopen jaren geschreven zijn, is dat ook zo. In 1995 verscheen als aflevering van het tijdschrift Parmentier een verzameling `Nieuwe Psalmen', waarin allerlei dichters, onder wie Nachoem Wijnberg, Maria van Daalen, Tomas Lieske, Anton Korteweg, Lloyd Haft, Anton Ent, Anne Vegter en Leo Vroman zich aan een psalm waagden. In hetzelfde jaar verscheen Vromans Psalmen-bundel, drie jaar later kwam Lloyd Haft met Ken u in mijn klacht, een bundel geheel gevuld met gedichten naar psalmen. De dichter Anton Ent schreef tussen 1997 en 2000 wekelijks een psalm in het weekblad HN die hij, in eigen beheer, uitgaf onder de titel Entiteiten en afgelopen januari kwam het christelijke literaire tijdschrift Liter met een psalmennummer. Los van dat alles hadden andere dichters natuurlijk ook wel eens psalmen geschreven. Rutger Kopland begon zijn oeuvre in 1966 met `Een psalm' (`De grazige weiden de rustige wateren/ op het behang van mijn kamer') en in zijn bundel `Geduldig gereedschap' (1993) schreef hij een gedicht onder de titel `Psalm'. In beide gedichten komt overigens in het geheel geen god of vervangende instantie voor. Wel in zijn zogenaamde `G-cyclus', een reeks gedichten waarin `G' wordt aangesproken en, uiteindelijk, afgeschaft.

En dan spreken we nog niet van de sonnetten die Jan Kal van menige psalm wist te maken, of al veel eerder L. Th. Lehmann: ,,Hoe is het dat gij uit mijn handen glijdt,/ mijn leven, hoe zijt gij zo snel verleden?''

The literary guide to the bible, het voor wie in de bijbel als verzameling literaire teksten geïnteresseerd is onmisbare boek van Robert Alter en Frank Kermode, geeft de interessante inlichting dat de psalmvorm al enkele eeuwen bestond voor de Hebreeuwse psalmen werden geschreven. Die `heidense' psalmentraditie diende de Hebreeuwse dichters vaak tot voorbeeld, ze ontleenden er beelden en uitdrukkingen aan, en soms zelfs opeenvolgingen van versregels. De psalm was dus voor hen al een traditioneel genre, een vorm waarin niet vernieuwing centraal stond, maar vaste beelden en wendingen gebruikt werden om een nieuw werk te maken. Het is dan ook niet uit te maken welke psalmen wanneer geschreven zijn. De oudste psalmen kunnen wel teruggaan tot de tiende en de negende eeuw voor Christus. Zo min als men weet wanneer een psalm geschreven is, is bekend door wie het gedicht gemaakt is, ook al staat er in de veel later samengestelde verzameling psalmen uit de bijbel vaak bij `Van David', en soms zelfs nog nadere toelichting zoals `Toen hij in de grot was'.

De psalmentraditie doet denken aan de traditie van de Perzische miniatuurschilderkunst zoals Orhan Pamuk die beschrijft in zijn verrukkelijke boek Ik heet Karmozijn: aan een miniatuur hoor je niet te kunnen zien wie hem gemaakt heeft. De kunst is juist om geheel in de traditie te werken, een `eigen stijl' is zondig. Maar het verlangen naar individualisering is niet tegen te houden, in Pamuks boek niet, waar de verworvenheden van de Venetiaanse meesters de Istanbulse miniatuurschilders in verwarring brengen, en in de psalmdichtkunst ook niet: moderne dichters trekken zich bijzonder weinig van de traditionele vormen aan.

Wat willen ze dan wel, de dichters die een psalm schrijven? Een belangrijk aspect van de psalmen is de verhouding tussen de mens en god. Een dichter die een psalm schrijft, zegt iets over die verhouding, onafhankelijk van of hij in een god gelooft of niet ook de tijd of het leven of het grotere geheel kan de plaats van God innemen, of de afwijzing van een goddelijke instantie. Soms draait een dichter ook de verhoudingen om, de mens groot en god klein. Hoe dan ook plaatst een dichter die een psalm schrijft zich in een traditie.

De mens is er maar even, maar God is er altijd – zulke dingen worden in de traditionele psalmen steeds weer uitgedrukt, verbonden aan de vraag om hulp en bijstand of aan de dankzegging voor geboden bijstand en hulp. God ziet en vermag dingen die buiten bereik van de mens liggen. De dichter Lloyd Haft drukt dat bijvoorbeeld heel kort uit in de regels: `mijn lippen blijven namens u herhalen/ dat mijn pad een weg is' – voor de mens is het niet zo duidelijk dat de slingerende paden waarop hij zich bevindt, de wanorde en de onoverzichtelijkheid werkelijk een weg zijn. Waar voor ons chaos is, is voor God of voor Systeem, orde. Wij worden gekend als onderdeel van die ordening, maar voor onszelf zijn wij niet zo kenbaar en de ordening al evenmin.

Het gekend worden door God zonder dat wij zelf kunnen kennen, is een thema dat veel moderne dichters hebben opgenomen. De psalm waarin ons gekend worden het meest expliciet tot uitdrukking wordt gebracht is psalm 139: ,,Heer, gij doorgrondt en gij kent mij,/ gij weet van mijn zitten, mijn opstaan,/ gij verstaat mijn gedachten van verre'' het is zo schitterend gezegd dat je het zou willen geloven. Dat is het bedrieglijke van taal, zegt de dichter Anton Ent in het tijdschrift Liter. Hij schreef:

Wees een man, fluister ik, sta rechtop, tast de hemel af

en erken: ik voel niets, niemand.

Ik roep hem uit tot een oog dat toegang heeft tot mijn nieren

en getuig: de kiezelsteen draagt zijn schaduw.

Wat je niet voelt (strofe 1), kun je wel zeggen (strofe 2), en dan lijkt het waar.

Kopland schreef in zijn G-cyclus: ,,je ziet me nog als ik niet kijk, je ademt/ als ik niet luister, leest wat ik niet schrijf'' en ook ,,ik houd er niet van om/ te worden gekend door iemand die ik niet''. In een interview vergeleek hij de toestand van de mens die door God wordt gekend met de toestand waarin Kafka's hoofdpersoon K. zich in Het proces bevindt: ,,hij komt nooit in contact met wie of wat het zaakje regelt''.

Lloyd Haft ziet dat niet als een probleem. Hij lijkt er eerder een geruststelling in te zien dat hij gekend wordt en een betekenis heeft, ook al is die dan voor hemzelf onachterhaalbaar:

Mijn botten immers blinken

als u ze ziet:

tekens in uw schrift,

die klinken naar de mate

van uw lezen.

En Anton Korteweg tekent in `Goed, wij samen, toch', protest aan, maar berust uiteindelijk ook:

Enfin, gebonden zijn, gekend, in iemand zijn, erg is het, maar

niet is nog erger misschien. En altijd, hoe dan ook: ik denk

aan je, op de gekste momenten, en nooit

niet eens niet. Het moet wel dat ik van je hou, de

pest heb aan wie de pest aan je heeft. Ken

me dan maar, weet wie ik ben en doe maar.

Al deze gedichten reageren op de psalmen, maar ze lijken verder niet erg op Hebreeuwse poëzie. Tot de bouwstenen voor een psalm behoren allerlei formele kenmerken die je in hedendaagse psalmen nauwelijks terugvindt, maar die wel sterk bijdragen tot de werking van de bijbelse poëzie. Bijvoorbeeld de verdeling van de versregel in lijnstukken (cola) die we in vertalingen meestal terugzien als inspringingen:

Ik hef op naar de bergen mijn ogen:

vanwaar zal mij komen de hulp?

Bepalender nog voor het effect dan die in meerdere stukken verdeelde versregel, is de opbouw van de strofe en uiteindelijk de opbouw van de hele psalm. Daar valt altijd het woord `parallellie' dat meestal wat te benauwd opgevat wordt als in andere woorden nog eens hetzelfde zeggen (`Looft de Heer, alle gij volken/ roemt hem, alom ter wereld'). Dat komt weliswaar geregeld voor, maar de psalmdichters maakten het wel interessanter dan dat. De hebraïcus Jan Fokkelman geeft in zijn leerzame boek Dichtkunst in de bijbel veel aanwijzingen voor het juist lezen van de psalmen, zó dat de lezer al die geraffineerdheid ook zal opmerken. Wie zich erin verdiept, raakt steeds meer onder de indruk van de kunst van de psalmdichters. Jammer genoeg maken maar weinig dichters gebruik van deze vormprincipes, die zeker zoveel mogelijkheden bieden als het stijvere rondeel of de veelgebruikte sonnetvorm. Een enkeling doet het wel, bijvoorbeeld Kopland in zijn `Psalm':

Dan zullen deze geluiden wind zijn,

als ze opstijgen uit hun plek, dan

zullen ze verwaaien, zijn ze wind.

De psalmen vormen ook een eenheid door het min of meer vaste beeldenarsenaal waaruit ze putten: de spreker is dorstig, omgeven door droogte, God geeft water, vruchtbaarheid, schaduw. De spreker wordt belaagd door vijanden, ziekte, armoede, God is beschutter, behoeder, schild, harnas, vesting of burcht.

Deze elementen ontbreken over het algemeen in nieuwere psalmen. God als vaste burcht, rots en baken is niet meer zo populair. Aan de aangesproken instantie worden niet altijd meer zulke verheven kenmerken toegedicht, eigenlijk tref je weinig nieuwe metaforen. dat zal wel komen doordat men zich nu eerder richt tot een god in wie men niet gelooft, een ongrijpbaar systeem of een onmachtige schim van een vroegere god. Nachoem Wijnberg schreef in het Parmentier-nummer een prachtige variant op psalm 22, de psalm die begint met de beroemde psalmregels: ,,Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten''. In Wijnbergs gedicht komt de vraag om hulp van de andere kant. Niet de `ik' wordt verlaten maar de `jij', die wellicht een verdwijnende god is, tegen wie gezegd wordt: ,,leidt het je niet af naar mij te luisteren/ van je zeker en voortdurend verlies?'' Wijnberg spreekt bijna troostend tot de jij `ik houd een oog open voor jou/ zodat je daardoor kan kijken'. De jij kan dan `een antwoord' bedenken, zonder dat wij weten wat voor vraag er gesteld is, maar de vraag moet wel zoiets zijn als: hebben we nog wat aan jou, heb je nog zin? De laatste regels van het gedicht geven een mogelijkheid tot antwoorden van de verliezende jij:

Zoals zeggen: ik wil je niet

verliezen.

Het is altijd mooi als die omdraaiing plaatsvindt, en niet God de mens moet redden maar de mens God. ,,Bid tot ons Heer, wij zijn nabij'' dichtte Paul Celan.

Moderne psalmen lijken niet meer zozeer uitdrukking van een traditioneel en niet-bevraagbaar geloof, als wel een mogelijkheid om zich over grote dingen uit te spreken, over tijd en eeuwigheid en hoe men, de mens, in het leven staat. Want, zoals Kees Fens schreef: ,,De psalmen laten altijd een verruiming toe: van het individu naar een gemeenschap.'' Het raadsel bij al dit `jij'- of `u'-gebruik blijft tot wie de dichter zich eigenlijk richt tot zichzelf? Tot een Systeem dat niets menselijks heeft kan men moeilijk bidden, want daarvoor is zoiets als `gehoor' toch minstens verondersteld, zoals men ook eigenlijk niet kan bidden tot een god in wie men niet gelooft. Wat er in de gedichten gebeurt, lijkt op wat Kopland schreef: ,,Die/ dagen met jou G, heb ik gemompeld als een schaker/ alleen tegen zijn bord, zo hevig tegen niemand.''

Het gebed is hier een artificiële vorm, poëzie, geloof in taal meer dan in iets buiten ons. Anton Ent zei: ,,De religieuze verbinding met de werkelijkheid is direct, onbemiddeld, paradijselijk. Taal en kunst zijn instrumenten om die verbinding tot stand te brengen. Daarom is taal een noodoplossing.'' Dat zullen zeker niet al die dichters met hem eens zijn, sommigen van hem hebben wellicht liever de `noodoplossing' van de taal dan de religieuze ervaring. Hun gebeden worden gesprekken met zichzelf, maar zichzelf vermomd als God. Dat levert soms een wonderlijk gesprek op, of het beeld van iemand die druk bezig is zichzelf te omhelzen:

Systeem! Is dit een tweegesprek

of een met U alleen?

Vertel mij dan wie ik ontdek

als ik mijn armen tot U strek

en om mijn schouders heen.

Een eigen stijl is zondig

Nooit contact met wie of wat het zaakje regelt