Ik schilder alles naast elkaar

Schilder Gijs Frieling wil een revolutie terug naar het verleden. ,,Abstracte kunst is veel te krampachtig.''

De tentoonstelling van Gijs Frieling bij de Amsterdamse galerie Maria Chailloux opent met het schilderij Waterval. We zien een meertje met twee naakte mensen erachter. Een waterval natuurlijk, daarnaast een boom in volle bloei, groen, rood, vlammend geel. Vogels tuimelen door de lucht, aan de waterkant drinkt een hertje. Een onvervalste idylle.

En dat is niet alles. Even verderop hangt een schilderij dat een rozenstruik toont, in verschillende stadia van bloei en verval. Een doek vol fladderende vogels. Als bekroning besluit de expositie met Petrus, dat de drie stadia van de verloochening van Petrus toont, 's avonds bij het kampvuur, inclusief maar liefst drie kraaiende hanen. Al de doeken zijn geschilderd in weelderige kleuren, met dunne, vloeiende ei-tempera, wat de associaties met fresco's alleen maar versterkt. En de toeschouwer, die wrijft eens in zijn ogen, kijkt om zich heen en denkt dat hij door een gat in de tijd is gevallen. Is dit welbewuste naïviteit? Een herleving van Romaanse schilderkunst? Een grap?

,,Ik heb dat altijd al gehad'', zegt Frieling, grinnikend. ,,Toen ik afstudeerde op de Rietveld Academie zei een van de docenten: `je werk zal z'n weg wel vinden, maar je moet nog wel even aankomen in de twintigste eeuw.' Even zo goed: als gelovigen mijn werk zien, denken ze vaak dat ik de gek met het geloof steek. Ze vinden het meestal maar slecht geschilderd.''

Voor alle duidelijkheid: Frieling beschouwt zichzelf als een `gewone' hedendaagse kunstenaar, hoogstens een met wat andere belangstellingen dan de meeste van zijn tijdgenoten. Frieling doorliep de Rietveld- en de Rijksacademie, doet mee aan binnen- en buitenlandse groepstentoonstellingen en is nu zelf docent op de Rietveld. Tegelijk praat hij met warm enthousiasme over Romaanse kunst, volkskunst en de krullen op een Hindelopen-kast. ,,Een prachtig gezicht is dat, hoe zo'n schilder met een kwast in beide handen die patronen precies symmetrisch aanbrengt. De stijl van zulke volkskunst is heel strikt, men werkt altijd vanuit dezelfde vormen. Het ontwikkelt zich ook heel rustig. Als iemand iets bedenkt dat echt goed is, wordt het meegenomen, anders blijft men gewoon volgens het oude stramien doorwerken. Het heeft iets heel vanzelfsprekends, en juist dat is er zo vitaal, zo krachtig aan.''

Die voorkeur voor eenvoud verklaart voor een belangrijk deel Frielings schilderstijl. Als hij zich ergens in onderscheidt van de artistieke modes, dan is het in zijn onwrikbaar geloof in de kracht van de illusie. In vorm- of stijlexperimenten, kunst over kunst is hij niet geïnteresseerd, Frieling wil de toeschouwer `ouderwets' meesleuren. ,,Het mooiste, het hoogste dat een kunstwerk kan bereiken is dat je er volledig in opgaat'', zegt hij. ,,De afstand tot het onderwerp moet zo klein mogelijk zijn. Daarom is figuratie voor mij ook onontkoombaar. Het feit dat kunst illusie kan scheppen maakt dat je het ook moet doen, vind ik. Abstracte kunst is daarin veel te krampachtig. Voor mij is abstractie in de eerste plaats een nadrukkelijke ontkenning van de voorstelling, het blijft altijd een vorm van `afzetten tegen'. Abstracte kunstenaars zijn een deel van de kunst voor het geheel gaan aanzien.

,,Ik vind dat kunst moet streven naar grote ideeën. Een van de beste kunstwerken aller tijden is voor mij het Issenheimer-altaar van Grünewald. Grünewald probeert het allergrootste thema, de kruisiging, op een uitputtende manier te behandelen. Dat werk gaat niet meer over verf, over stijl, je wordt volkomen opgezogen door het beeld, door het lijden, door de verlossing. Tegelijk is het rood in de mantel van Johannes indrukwekkender dan een rood doek van Barnett Newman. Die combinatie, die kracht, dat is het hoogste dat een kunstwerk kan bereiken.''

Puurheid

Dat streven naar puurheid sluit goed aan op Frielings geloof. Hoewel hij niet direct gelovig werd opgevoed werd hij in 1994 lid van de Christengemeenschap. Dat geloof speelde ook een belangrijke rol tijdens zijn eerste jaren aan de Rietveld. Aanvankelijk was hij zoekende naar zijn vorm, maakte beelden en installaties. Pas in het laatste, vierde jaar kwam Frieling uit bij de schilderkunst. ,,Mijn grote voorbeeld was al die jaren Joseph Beuys. Hij was de enige kunstenaar die antroposoof was, en daarmee de enige die ik echt kon vertrouwen. Ik heb me aanvankelijk erg aan hem vastgeklampt. Hij streefde ernaar om alle problemen zo ver mogelijk te doordenken, zowel artistiek als maatschappelijk. Maar Beuys was sceptisch over de mogelijkheden van schilderkunst en figuratie. Terwijl ik juist wilde schilderen.''

Na zijn afstuderen en drie jaar werken, in zijn eentje in zijn atelier, werd Frieling aangenomen op de Rijksacademie. In die tijd begon hij steeds nadrukkelijker te streven naar een combinatie van kunst en geloof. Een van zijn bekendste doeken uit die tijd is een Jezus-figuur die met een capuchon over z'n hoofd en op Nike-sportschoenen langs een gracht loopt. ,,Ik was vooral op zoek naar de manier waarop ik christelijke onderwerpen naar het nu kon verplaatsen. Ik was bang dat ik niet serieus zou worden genomen als het er niet modern zou uitzien. Tegenwoordig heb ik daar een stuk minder moeite mee.''

Tovenaar

Frieling ziet zijn werk graag in de traditie van moderne kunstenaars die zich lieten inspireren door `primitieve' kunst. ,,Ik ben ervan overtuigd dat de basis van veel modernistische kunst is gelegd door primitieven. Neem Brancusi, die nam elementen uit de beeldtaal van Roemeense architectuur. De zuil onder het dak werd bij hem een `eeuwige kolom', die hij uitriep tot een afzonderlijk beeld. Dat soort dingen zie je ook bij Picasso en later bij Appel bij of Baselitz.

,,Ik denk dat de kunst zich te veel vasthoudt aan de oude vooruitgangsgedachte. Goethe kon nog denken dat Rafael en Michelangelo de vervolmaking van de stijl van Giotto waren. Wat mij betreft zijn Rafael en Giotto even bijzonder. Anders, maar ze bereiken ieder op hun eigen manier een vorm van perfectie. Dat kan evengoed voor hedendaagse kunstenaars gelden. Vorig jaar gaf ik op de Rietveld het keuzevak `kopiëren van oude meesters'. De eerste les begonnen we met een detail van een schilderij van El Greco, toch de virtuoos der virtuozen. De studenten waren onder de indruk, maar toen ze klaar waren bleken de resultaten heel aardig te lijken. De les daarna nam ik een vroeg schilderij van Roy Lichtenstein mee, zo'n meisje met een rode bal boven haar hoofd. Iedereen begon te lachen, zo van: ja zeg, zo simpel, daar beginnen we niet aan. Maar toen die kopieën naast elkaar stonden leek het nergens op. Zoals Lichtenstein een lange rechte zwarte lijn over het doek zet, in een keer, helemaal vloeiend, gelijkmatig, de verf overal even dik, dat is zo knap – ze konden het met geen mogelijkheid nadoen. Lichtenstein, dat is top-virtuositeit, en dat terwijl iedereen dat vaak als het platste van het platste beschouwt.''

Die schijnbare eenvoud streeft Frieling ook na in zijn eigen doeken. ,,Het liefst wil ik dat mijn werk zo on-elitair en on-intellectualistisch is als maar mogelijk. Langzaam kom ik daar steeds verder mee. Tot voor enkele jaren bijvoorbeeld, schilderde ik verschillende objecten op een doek zomaar over elkaar heen. Dan had ik een schuur, wilde daar een figuur voor, en dus schilderde ik de figuur gewoon over de schuur heen. Twee jaar geleden besefte ik dat zoiets een typisch renaissancistische verworvenheid is. Het veronderstelt namelijk de kennis van de toeschouwer dat die schuur achter die figuur nog steeds doorloopt. Sindsdien doe ik dat niet meer. Ik schilder alles naast elkaar, met zo min mogelijk overlappingen. Dat vraagt om een heel andere manier van denken en werken, maar dat maakt het er alleen maar puurder op.''

Dat zijn werk in z'n koestering van volkskunst en pre-renaissancistische prilheid ook een grote naïviteit uitstraalt, vindt Frieling geen bezwaar. ,,We leven in een tijd waarin vooruitgang, evolutie wordt gekoesterd. Maar ik denk dat zo langzamerhand wel duidelijk is dat de mens daar niet gelukkiger van wordt. Wat mij betreft is het tijd dat de maatschappij op zijn schreden terugkeert. Het wordt tijd voor een `involutie'.

,,Het blijft moeilijk, natuurlijk. Ik kan mezelf, mijn kennis, mijn verworvenheden niet zomaar wissen. Ik ben opgegroeid in een bepaald milieu, gestudeerde ouders, kunstacademie, het blijft lastig om dat zomaar af te leggen. Maar ik vind het een goed streven. In de film Lord of the Rings zit een scène van een tovenaar die terechtkomt bij een volk dat er wat naïef uitziet. Ze hebben het goed, leven eenvoudig, ze hebben niet veel besef van het kwade in de wereld – ze geloven nog echt in het goede. De tovenaar houdt die kennis bewust bij ze weg, want juist door die vriendelijke opstelling kunnen ze de moeilijkste opdrachten aan. Die prilheid, dat onwrikbare streven naar het goede, daar gaat het me uiteindelijk om.''

Gijs Frieling, bij galerie Maria Chailloux, Prinseneiland 439, Amsterdam. Do t/m za 13-18u. Op 1ste en 2de Paasdag 14-17u. Inf (020) 6393408. Frieling neemt ook deel aan de tentoonstelling `Painting passion Pays-Bas' Institut Néerlandais, Parijs. T/m 7 april.