Het zelfbedrog van de verliefde

Voor de anekdote van zijn nieuwste boek heeft Willem Melchior het niet te ver gezocht. De ik van het verhaal is 33 jaar en schrijver van beroep. Zijn tweede boek, een paar jaar terug verschenen, is vernoemd naar de held, en hij werkt nu al drie jaar stug door aan een derde, dat moet gaan vertellen van een grote liefde die teloorgaat. Hij lijkt kortom als een dubbelganger op zijn schepper, ergens in de late jaren negentig, met Kaspar Valentijn (1996) in de handel en de liefdesgeschiedenis van De onhuwbaren (2000) nog onder handen.

Het is een koude nacht in januari en de ik, hij krijgt geen naam, besluit na maanden eenzaam schrijven in zijn Amsterdamse woning uit te gaan. In een café ziet hij een jongen met een wijkende haargrens en een beige corduroybroek. Niet echt een aanbeveling, maar er is iets aan de jongen wat hem trekt, en na de gangbare inleidende bewegingen vallen ze bij hem thuis in bed.

Tot zijn verbazing merkt de ik de dagen daarna dat de jongen hem blijft bezighouden. Diens gezicht kan hij niet goed meer voor de geest halen en hij herinnert zich ook weinig gedenkwaardigs in de conversatie, maar dat neemt niet weg dat iets in hem naar meer verlangt. Hij maakt een nieuwe afspraak, die teleurstelt, daarna nog een, die de jongen afzegt, dan na lang verkeer per voicemail weer een – en zo verder, maand na maand, tot diep in de zomer, waar ten slotte onontkoombaar wordt wat je als lezer al bij het begin voelt aankomen. Het is niet wederzijds en het wordt nooit wat.

Een wat je noemt herkenbare geschiedenis, die ingevuld wordt met nog meer herkenbaars. Amsterdamse straten en adressen. Nichtenkroegen als de April en de Exit in de Reguliersdwarsstraat. Het kantoor van tv-zender AT5 daar om de hoek. De Balie bij het Leidseplein. Je kunt de routes nalopen.

Het hoofd op de buik heeft daardoor veel weg van het soort roman waarin de schrijver bij gebrek aan inspiratie of talent gewoon maar lekker leegloopt over wissewassen uit zijn eigen leven. Het heeft daar ook de losheid van, om niet te zeggen het onstuitbare gebabbel. De verteller schaamt zich niet voor een herhaling (`zoals ik geloof ik al zei') en neemt ook niet de moeite om zijn woorden even terug te lezen (`had ik al gemeld dat').

Aandoening

Maar make no mistake. Melchior is een begaafd stilist, in staat tot het voltooien van zwaar opgemetselde volzinnen waarvoor Flaubert zich niet zou schamen, en de armoe van dit boek is schijn. Het autobiografische gekeuvel wordt hier met een knipoog ingezet als welbewuste stijlvorm. Het gaat Melchior niet om de ditjes en datjes van een verliefdheid maar om een mysterie in die op het oog zo oppervlakkige aandoening. Wat is het dat iemand die je amper kent en zelden ziet, en die ook niet veel interesse toont om jou te zien, tot een verterende obsessie maakt?

Juist dat parlando van de held maakt je daar wijzer over, want het biedt een ongecensureerde inkijk in het zelfbedrog van de verliefde. Eigenlijk weet die ook zelf van meet af aan dat zijn verliefdheid kansloos is, op bladzij 18 zet hij alle redenen daarvoor al op een rijtje. Maar het inzicht dat hij daarom beter afstand van zijn afgod kan bewaren buigt hij soepel om tot het idee dat er nog best gewone vriendschap in zit. En het inzicht dat hij zelf op afstand wordt gehouden, slaat al gauw om in de overtuiging dat er op een stap van zijn kant wordt gewacht. Al is de rede nog zo snel, het verlangen achterhaalt haar wel.

Meer en meer valt daarbij op hoe weinig dat verlangen eigenlijk te maken heeft met de persoon die hij aanbidt. Het is veel meer een algemeen verlangen naar ontsnapping – aan het schrijven, aan de eenzaamheid ervan, aan de teleurstelling als de voldoening over een voltooid boek weer zo kort blijkt. Aan het leven zelf kortom. Dat is de `bron', zegt hij, `de verliefdheid zorgt voor de vormgeving'.

Hij is daarmee een zwaar geval van wat Stendhal `kristallisatie' heeft genoemd. Zoals je maar een touwtje nodig hebt om in een bak met suikerwater prachtige kristallen te vormen, zo volstaat een vrijwel willekeurig iemand voor de meest verrukkelijke visioenen van geluk. Liefde, avontuur, rust, alles wat je wenst groepeert zich rond één beeld, en je vergeet dat het een beeld is dat niet in de buitenwereld leeft maar enkel in je hoofd.

Bij de ik van dit verhaal blijkt dat geluksbeeld heel nauwkeurig te omschrijven. Het is een ontblote torso, of nauwkeuriger nog een ontblote buik, waartegen hij zijn hoofd kan vlijen. Niets zo gelukzalig als het mannelijke bovenlijf, vindt hij, en hij neemt graag de tijd voor een uitvoerige beschrijving als hij er een ziet. Raakt opgetogen als het `blond en kluitig' is en `scherp van tekening'. Kan zijn teleurstelling niet onderdrukken als het `vol in de heupen' blijkt of uitgerust met `nogal nietszeggende tepels, waar zo te zien zelden of nooit aan getrokken is'.

Elke torso die hij onder ogen krijgt wordt daarbij afgezet tegen zijn ideaalbeeld, dat hij onbedoeld verraadt wanneer hij iemand uitlegt wat de schoonheid is van een foto van de halfnaakte voetballer die hij bewaart. Hij illustreert zijn woorden met een hand op zijn borst en een kneep in zijn zijde, `alsof ik het zelf was, in plaats van de voetballer, die ik aanprees', en onthult daarmee `de ware reden van mijn adoratie'. Zijn ideale torso is zijn eigen torso.

`Zelfverliefdheid'

Dat geeft zijn verliefdheid een tournure die je met verbazing volgt. Als hij een stap naar zijn aanbeden jongen zet, is het in wezen een stap naar de spiegel. Hij leeft in `zelfverliefdheid', in zijn eigen woorden, en heeft daardoor `heimwee naar het onbereikbare'. Heimwee omdat hij precies weet wat hij zoekt - en onbereikbaar omdat er geen mens is die het hem kan bieden. Hoe dicht hij de spiegel ook mag naderen, hij zal nooit met het beeld versmelten.

Die wetenschap verschaft Het hoofd op de buik vooral in de laatste hoofdstukken een heel nieuwe lading. De zomer breekt aan en het toneel verschuift van Amsterdam naar Zandvoort, waar het strand bezaaid ligt met de meest begeerlijke heren van de schepping. Onze held kijkt er zijn ogen uit, ziet om zich heen romances opbloeien en vergeet zelfs haast het leed van zijn verliefdheid. Een zomerzotheid wordt het – helemaal de ontsnapping die hij zoekt.

Maar tegelijkertijd besef je dat hij van die wereld nooit echt deelgenoot kan worden. Hij heeft er geen toegang toe, want altijd staat die spiegel tussen hem en anderen. Hij zit gevangen in zijn eigen wereld, waaruit geen ontkomen lijkt te zijn. Of het moet zijn dat anderen hem zien, daar op het strand, en aan zijn tors de schoonheid afzien waar hij zelf zo van geniet – `genotzalig [...] in mijzelf besloten'.

Het is de gelijktijdigheid van die twee werelden, die op het strand en die in zijn hoofd, die aan dit boek een schrijnende, subtiele spanning geven. Je leest zijn gekeuvel over mannen en jongens, met hun buiken en hun tepels, hun gelonk en hun geleuter, en terwijl de ledigheid daarvan je tegemoet slaat slaag je er toch niet in je te ergeren, want je ziet tegelijkertijd dat daar voor hem zoveel als een verlossing in verborgen ligt. Tenminste een belofte daarvan. En dat die toch nooit vervuld zal worden.

Willem Melchior: Het hoofd op de buik. Atlas, 160 blz. €16,50