Het verlangen naar nootmuskaat

Was de VOC een goudmijn, een ontdekkingsreis, een schande, een uitweg voor armoedzaaiers en gewiekste zakenmannen? Over de aanpak in de musea in Hoorn, Rotterdam en Amsterdam.

De geur van kruidnagel, vermengd met nootmuskaat en kaneel, vult de pronkkamer van de Verenigde Oost-Indische Compagnie van het Westfries Museum in Hoorn. De vleug van exotisme die de bezoeker tegemoet waait, is verrassend. Ooit, ver voordat de VOC als handelsmaatschappij deze producten naar Nederland verscheepte, golden oosterse kruiden als `de geuren van het paradijs'. Via de lange weg van de zijderoute bereikten geringe en daardoor kostbare hoeveelheden de Nederlanden. De VOC wilde het vroeg in de zeventiende eeuw anders: de Aziatische kostbaarheden in grote hoeveelheden naar Nederland zeilen. Kruiden werden `gedemocratiseerd'. Als bulkgoed vulde het de ruimen.

De kleine havenstad Hoorn was een van de zes kamers van de Oost-Indische Compagnie. Bovendien is het de geboorteplaats van Jan Pieterszoon Coen, de beruchte stichter van Batavia en de latere gouverneur-generaal van de Indische archipel. Hoorn zond enkele schepen per jaar uit, bemand door arme boerenzonen uit West-Friesland. Het is goed in het rustige Hoorn met zijn vaste opstelling te beginnen, nu de VOC-koorts in alle hevigheid woedt met een overstelpend gedruis aan festiviteiten, nationale tentoonstellingen en de uitgave van een Nationaal Jubileumboek VOC 1602-2002. De kleurrijke wereld van de VOC.

Jarenlang leidde de VOC-zaal hier een onbemind leven, en nu loopt het storm. In de winkelstraten van de Zuiderzeestad begint het al: rood-wit-rode vlaggen met het opschrift `Schatkamer van de VOC' wapperen aan de puien. De plaatselijke middenstand heeft het VOC-logo van Hoorn in de vorm van een koperen kompasroos in het plaveisel gelegd. De streken verwijzen naar schatten uit de Oost: kaneel, peper, porselein, thee, kruidnagel. De VOC wordt omarmd als geldbron. In vier eeuwen is er niets veranderd; om geld draaide het altijd al.

Uitmoorden

Directeur Ruud Spruit, historicus en samensteller van de tentoonstelling Hoorn en de VOC, verbaast zich over die plotse aandacht: ,,Ik maak al dertig jaar tentoonstellingen over de VOC en de gemeenteraad was altijd tegen. Dat moest ik à titre personnel doen, want de VOC was een schandelijk bedrijf, op niets anders belust dan geldgewin en rijkdom. Hier staat bovendien het bronzen standbeeld van Coen voor de deur, de man die de bevolking van het eiland Banda uitmoordde omdat die zich onttrok aan de eisen van de Compagnie. Alleen de Hollanders mochten nootmuskaat verhandelen. In 1987 maakte ik een tentoonstelling naar aanleiding van de vierhonderdste geboortedag van Coen. Dat leidde tot demonstraties en openbare schuldbetekenissen: dat wij Indië hadden leeggeroofd was `onze schuld, onze grote schuld'. Dat is een verkeerde gedachte, echt calvinistisch: de VOC was een onderneming met vestigingen in Azië. Dat was haar zelfopgelegde taak.'

Spruit: ,,Wat ik mis in de huidige VOC-aandacht is de andere, de niet-Nederlandse zijde. Wat betekende de VOC voor Indië, Azië en Indonesië? Die archieven zouden ook ontsloten moeten worden. We zouden daarin veel vinden over ons reilen en zeilen daarginds. Het is werkelijk een gemiste kans en daarom kan ik me de kritiek op alle feestelijkheden voorstellen. Ik spreek ook liever van een herdenking. Als historicus ben ik geïnteresseerd in de betekenis van de ontmoeting tussen culturen. De Nederlanders waren doorgewinterde kooplieden met een scherpe handelsgeest; zij lieten zich bovendien bijstaan door een leger om hun missie – het vestigen van Nederlandse posten in den vreemde – te verwezenlijken. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de ontmoeting, ondanks alle nieuwsgierigheid, tot botsingen leidde. De Nederlandse scheepslui begrepen niets van boeddhisme of van inlandse gewoontes.

,,Natuurlijk was het een groot avontuur naar de Oost te gaan. Maar het is een misverstand te denken dat de VOC-schepen onbekende wateren gingen bezeilen. De route was allang bekend, mede dankzij de Portugese joden die overal in de wereld waren neergestreken om handel te drijven. Ook wordt over de scheepsjongens te romantisch gedacht. De aanmonstering op de schepen kwam voort uit bittere noodzaak. In elk geval hadden ze aan boord drie keer per dag te eten. Op de boerderijen in West-Friesland kon maar één zoon trouwen, de anderen moesten het maar zien te rooien. Het ging hen, uiteindelijk, om geld en inlandse vrouwen. Dat jongemannen de wereld in wilden, hoort bij die tijd. Kom daar in de achttiende eeuw maar eens om: de gedrevenheid en bezieling waren verdwenen.'

De jutezakken met kruiderijen staan bescheiden in een hoek van de VOC-zaal opgesteld. Deze povere voorwerpen hadden een wereldwijd gevolg op talloze gebieden. Overweldigend daarentegen is het meer dan levensgrote schilderij dat de VOC-bewindhebbers van de Kamer Hoorn uit 1682 voorstelt. De heren, met opdrachtgever François van Bredehoff in het midden, tonen zichzelf in alle fiere zelfbewustheid en rijkdom. Mannen met een glanscarrière. Ze dragen zwierige hoed en pruik. In het midden van de bestuurstafel ligt, nadrukkelijk zichtbaar, een `Banck-Boeck'. Verder een hemelglobe, kaarten, navigatiemiddelen, schrijfgerei. De wereld ligt aan de voeten van deze regenten. Vooral uit de prominente aanwezigheid van het `Banck-Boeck' spreekt de reden van die hele VOC-onderneming. Verder toont de zaal al het andere wat met de VOC te maken heeft: scheepsmodellen, scheepskisten, een schilderij met daarop de rede van Hoorn. Opnieuw de trots van Hollandse weelde. Spruit zegt: ,,Het verleden is tastbaar aanwezig in deze voorwerpen. Met deze zaal als begin weet de bezoeker wat de VOC betekent voor het Hoorn van vroeger en het Hoorn van nu.'

Kimono

Ook voor Els Jacobs, historica en samensteller van de jubileumexpositie De kleurrijke wereld van de VOC in zowel het Scheepvaartmuseum te Amsterdam als het Maritiem Museum in Rotterdam, is de band tussen het verleden en heden van wezenlijk belang. Vier jaar heeft zij met beide maritieme musea en deskundigen aan de tentoonstellingen gewerkt. De ondertitel luidt: `Wat de historie het heden bracht.' ,,Deze invalshoek hebben we gekozen,' legt Jacobs uit tijdens een rondleiding in het Maritiem Museum, ,,omdat de meeste mensen geen weet hebben van de invloed van de VOC op het dagelijks leven. Wat heeft het verleden het heden te vertellen? De tentoonstelling biedt een zo breed mogelijk beeld van alle vernieuwingen in Europa dank zij de contacten van de westerlingen in Azië. Men ging zich anders kleden, de Japanse kimono bijvoorbeeld werd voor mannen en vrouwen razend populair. Kostbare kruiden, thee en koffie wijzigden de eet- en drinkgewoonten. In onze benadering hebben we ons afgevraagd wat je kunt verbeelden zonder de historische context geweld aan te doen. Ik beschouw 2002 als een bijzonder jubileumjaar. De geschiedenis is gegaan zoals die is, positief of negatief, met zijn schaduwzijden en zwarte bladzijden. Er waren geen morele dilemma's over wat we wel of niet laten zien. In de expositie vertellen wij het verhaal zoals het geweest is, volgens de recente stand van historisch onderzoek. Een dergelijke presentatie is hard nodig, getuige de onwetendheid van veel Nederlanders over de VOC en de talloze boze beweringen van de laatste tijd die veeleer door emoties zijn ingegeven. Geschiedkundige kennis ontbreekt.'

Een korte film aan het begin van de tentoonstellingen van een eigentijds jong stel dat in de keuken en badkamer reddert, laat in een oogopslag zien waar het Jacobs om is te doen: vanzelfsprekendheden als CocaCola (zit foelie in), tandpasta (verrijkt met kruidnagel), stoofperen (kaneel) en asperges (nootmuskaat) zouden ondenkbaar zijn zonder de VOC. Een belangrijke afdeling van De kleurrijke wereld van de VOC wordt ingenomen door cartografische en wetenschappelijke ontdekkingen – een van de indrukwekkendste aspecten van de VOC. Met de Jacobsstaf bijvoorbeeld bepaalde de schipper de hoogte van zon of poolster ten opzichte van de horizon, waarna hij de breedtegraad kon bepalen. De schepen voeren grote delen over de oceanen zonder `land-in-zicht', wat aanvankelijk ongewoon was. Jacobs verwijst naar de wandwereldkaart uit 1646 van de eertijds bekende wereld, een herdruk van een eerdere kaart door de Amsterdamse cartograaf Willem Jansz Blaeu. De macht van de Nederlandse zeevloot blijkt uit de plattegronden van VOC-vestigingen over heel Azië die Blaeu aan de kaart toevoegt. Ook zijn, ten zuid-oosten van Indonesische archipel, de kustlijnen van het latere Australië getekend, toen zonder schroom `Hollandia Nova' genoemd.

Jacobs: ,,Het is van belang de geschiedenis aanschouwelijk te maken, daarom is bewust gekozen voor een niet-traditionele opstelling. We hebben het Kasteel Batavia nagebouwd, zodat de bezoeker een indruk krijgt van de machtige beslotenheid en militaire uitstraling van de Nederlandse fortificaties in de Oost. De Nederlander van de zeventiende eeuw had een grote drang tot ontdekking en expansie. Die verre, onbekende wereld van ginds en toen is door tal van dienaren van de Compagnie in beeld gebracht. In China werd kamerbehang vervaardigd, zo kostbaar dat het alleen voor de allerrijksten was weggelegd. De trots van de expositie is zo'n wandbekleding afkomstig uit de damessalon van een Schots kasteel. Het moet omstreeks 1780 zijn gemaakt. Opvallend in dit weidse panorama zijn de twee figuren juist in het midden. Twee Europese kooplieden in een verder volstrekt Chinese entourage.'

Allerlei buitenlandse voorwerpen, zowel kunstzinnige als niet-kunstzinnige, tonen de wereldwijde aanwezigheid van de Compagnie. Voor het eerst zien we ook een Japanse rok van zijde uit 1775, uitgeleend door het Centraal Museum in Utrecht. Mode is van begin af verbonden geweest met de VOC. Uit het eind van de achttiende eeuw dateert een Hindelooper vrouwenjas vervaardigd van Indiase sits. Nog steeds behoort sits tot de streekdracht rond de voormalige Zuiderzee.

Sloebers

De band tussen verleden en heden, telkens de crux van de exposities, krijgt in het Amsterdams Historisch Museum een heel andere vorm. Historicus en conservator Lodewijk Wagenaar creëerde voor de tentoonstelling Amsterdam-Azië-Amsterdam; de stad en de VOC een route door de bestaande collectie. Tientallen schilderijen, gebruiksvoorwerpen hemel- en aardglobes, kaarten en prenten tonen de verwevenheid van de stad Amsterdam met de bedrijvigheid van de VOC. Wagenaar: ,,De VOC kon in Amsterdam haar hoofdkantoor verwerven dankzij de reeds bestaande infrastructuur. In die tijd was Amsterdam een stad van arme sloebers, werklui, werkzoekers en ook kooplieden en regenten. Talloze scheepslieden voor de Oostindiëvaarders kwamen uit Amsterdam. Op de werf van Oostenburg werden de schepen gebouwd. De Amsterdamse boekdrukkers en kaartenmakers ontsloten de geheimzinnige, verre wereld van de Oost en gaven die prijs aan de openbaarheid. Dat moet iedereen beseffen die spreekt over `bloedgeld uit Indië' of `schande'. Dat is een laat negentiende-eeuwse gedachte, die bovendien de VOC verwart met kolonialisme. Kolonialisme is pas aan de orde na de ondergang van de Compagnie in 1799, wanneer de Nederlandse Handelmaatschappij zich gaat bemoeien met Indië.

,,Een tentoonstelling maken is net theater: je vertelt met beelden een verhaal dat niet vrij is van dramatiek. Hoe heeft God het in zijn wijsheid bedacht alleen op zo'n nietig eilandje als Banda nootmuskaat te laten groeien? Dankzij de VOC besefte men dat er meer is dan slechts onze eigen natte, kale polders. Kaketoe's en papegaaien werden meegenomen en hier tentoongesteld in de menagerieën van buitenhuizen. Oogverblindend goud en zilver werd verhandeld op de `stapelmarkt van de wereld' die Amsterdam heette te zijn. Ik ben ook altijd geïnteresseerd geweest in het lot van de eenvoudige matrozen, al die jongemannen die vóór de mast verbleven in vaak kommervolle omstandigheden. Toch een soort helden. Ik stel me voor hoe ze daar bij de Montelbaanstoren instapten op een kleine schuit die hen over de Zuiderzee naar de rede van Texel bracht. Daar moest soms lang gewacht worden op gunstige oostenwind. Lazen die scheepsjongens ook de boeken over Azië? Vast niet. Wat kun je van hun levens weten? Veel van hen kwamen uit het Burgerweeshuis, waar nu het Amsterdams Historisch is gevestigd.'

Het lot van de zeelieden wordt treffend geïllustreerd door een beeldje van een zee-officier in een houten verpakking. Het werd in 1792 in Kanton vervaardigd uit pijpaarde. De man, Johannes Jacob van Harpen, heeft zich als een waardige gezagdienaar uitgedost met een steek op. Op de thuisreis sloeg hij overboord bij Kaap de Goede Hoop en verdronk. Zijn beschilderde beeltenis overleefde wel.'

Onder hoede van de VOC zwermden een miljoen mensen uit, onder wie begaafde tekenaars, schrijvers, onderzoekers. Niet alleen Azië kwam dichterbij, ook de beide Amerika's en de West-Indische eilanden. De sensatie van macht over de wereld leefde sterk in de Gouden Eeuw. Alle kunstwerken, schilderijen en ook het anderhalve kilometer lange archief van de VOC bewijzen dat. Op aanraden van Wagenaar tuur ik door een verrekijker naar het timpaan op het Koninklijk Paleis onder de `Atlas'. Daar zijn de oostelijke en westelijke wereld afgebeeld, beheerst door de Amsterdamse `Stedemaagd' die haar ene hand op de aardglobe legt – háár wereld. En die van de Compagnie.

`De kleurrijke wereld van de VOC. Nationale Jubileumexpositie VOC 1602-2002'. T/m 27 okt. in het Maritiem Museum Rotterdam en het Scheepvaartmuseum Amsterdam. Inl.: www.scheepvaartmuseum.nl.

Jubileumboek: `De kleurrijke wereld van de VOC', uitg. Thoth, prijs E17,90 (E 24,90; geb.).

`Amsterdam-Azië-Amsterdam. de stad en de VOC'. T/m 31 aug. in het Amsterdams Historisch Museum. Inl.: www.ahm.nl.

`VOC 400 jaar. Hoorn en de VOC'. In het Westfries Museum Hoorn. Inl.: www.wfm.nl.