Het Mysterie van Patjitan

Een graftombe aan de Javaanse zuidkust draagt een lange inscriptie in code. Generaties lang zijn alle pogingen haar te ontcijferen vergeefs geweest.

Aan de kust ligt Patjitan. Die zin herinner ik mij woordelijk uit het aardrijkskundeboek op de Indische Lagere School. Java's Zuidkust heeft altijd tot mijn verbeelding gesproken, een steile kust vol grotten en riffen en onzichtbare aanwezigheden, met een donderende branding waarin hulpgeroep en weeklachten waren te horen; die kust was het domein van Njai Loro Kidoel, een schrikgodin zo groot als een berg, aan wie voortdurend offers moesten worden gebracht. Van haar moet ik op jeugdige leeftijd een of andere afbeelding hebben gezien die ik me niet duidelijk meer voor de geest kan halen, maar die jarenlang mijn fantasie heeft beheerst. Ik zie vaag een Javaans vrouwengezicht met bloemen (of gebloemde stof) en woedende ogen, een lichaam met uitgespreide armen als in een nachtmerrie. Die angst voor haar had ik vooral van mijn Javaanse baboe, en uit een boekje met sprookjes waar de Zuidkust in voorkwam. Ik herinner me hoe alleen al een zin als `tegen het vallen van de avond kwam een wind opzetten' mij een gevoel van betovering kon geven, ook nu nog trouwens. Waarom zou ik niet kunnen zeggen, ik voel het strijken van die wind langs mijn huid in het donker, ik hoor de zee, alles lijkt eindeloos ver weg en lang geleden.

Nog iets anders, aan de Zuidkust, was de Kinderzee – een wonderlijke naam die vage associaties opriep met kinderziel en kinderleed. Zulke evocatieve aardrijkskundige namen leerden we in Indië op school, zoals Meindertsdroogte, waar ik altijd dorst bij kreeg en van die Meindert zou ik een portret kunnen tekenen. Langs de hele Zuidkust had je Hollandse namen als Dirk de Vriesbaai, Mauritsbaai, Schildpaddenbaai, en meer westwaarts de Wijnkoopsbaai en de Zandbaai; verder waren er de Welkomstbaai en Java's punten Java's 1ste punt, Java's 2e Punt, enzovoort tot en met 4, en daarna kwam nog de St Nicolaaspunt.

Zo riep die woeste grottenkust een groot en onbestemd verlangen bij mij op zonder dat ik er ooit geweest was, maar nu ziet het ernaar uit dat ik haar eindelijk zal zien. Volgende maand hoop ik weer rond te lopen in mijn geboorteland, en als alles goed gaat zal ik vanuit Soerakarta (Solo) een excursie maken naar Patjitan, met de bedoeling er hier te gelegener tijd over te berichten.

Over Java's Zuidkust is wel meer geschreven. Kreeft en steenbok, de eerste bundel van de zich Javaans noemende maar in het Nederlands schrijvende dichter Han Resink (1911-1997), begint met een serie gedichten over die magische Zuidkust, met titels als Drempelwereld, Betoverde inham, Zuidkustbaai. Ook Njai Loro Kidoel heeft haar eigen gedicht, en er is er zelfs een met de titel `Oceaanbocht bij Patjitan' (`Midden op de dag voel je hoe daar de nachten moeten zijn...'). De tocht van Solo naar Patjitan is meer dan honderdvijftig jaar geleden al eens beschreven door een Javaanse prins, Poerwa Lelana, die midden in de 19de eeuw een aantal reizen door Java heeft gemaakt en daar een dagboek van heeft bijgehouden. Van deze opmerkelijke Javaanse dagboeken bestaat een recente Franse vertaling, door Marcel Bonnef (een publicatie van Archipel, Parijs 1986).

Poerwa Lelana's relaas over Solo staat vol merkwaardige details, bijvoorbeeld zijn beschrijving, in het voorbijgaan, van `een kleine moskee, banaal van uiterlijk, maar ervóór is een klein bassin bewoond door een krokodil, die soms op de begane grond klimt'. Maar werkelijk fascinerend is Poerwa Lelana's gedetailleerde inventaris van het Paleis van de Mangkoenegara, in Solo, dat nog steeds bestaat en waar ik met grote nieuwsgierigheid naar uitzie.

Prins Poerwa Lelana deed er drie dagen over om van Solo naar Patjitan te reizen. Te paard, want de weg was te slecht voor een karos. Moge dat intussen niet meer zo zijn. Hij beschrijft het Nederlandse fort, met een bezetting van 50 man onder twee luitenants (een `versterking van den vierden rang', aldus de Encyclopaedie van Nederlands-Indië), waarvan ik niet weet of het nog bestaat; maar het boeiendst is weer een paleis, het Astana Gentong, wat zoveel als Rijstpot-paleis betekent. Het gaat inderdaad om een aarden pot met deksel, waarin de `Talisman van Java' bewaard wordt. Deze pot staat boven op een rots in een klein optrekje of hutje. De talisman, zo vermeldt Poerwa Lelana, is afkomstig uit Turkije en bestaat uit `een bot ter dikte van een grote teen, en een span plus twee vingers lang' (een span is de afstand van duim tot pink van een gespreide hand). Deze afmetingen zijn misschien onjuist, want het bot heeft het magische vermogen zich te verlengen of te verkorten, `zodat op de tien mensen die het zien geen twee hetzelfde oordeel hebben'. Ook had het bot de eigenschap om demonen te verjagen; volgens latere beschrijvingen bestond het optrekje met de aarden pot nog wel, maar in 1900 zat er al geen bot meer in.

Deze dingen zijn opmerkelijk genoeg, maar het merkwaardigste komt nog. De lezer heeft uiteraard de bijgaande foto's al gezien, van een Grieks tempeltje midden in een open vlakte aan zee. Het gebouwtje bevindt of bevond zich tot voor kort op een paar kilometer ten westen van Patjitan, rechts van de weg naar Solo. Zoals de laat-19de-eeuwse architectuur ervan al doet vermoeden bestond het in de tijd van Poerwa Lelana nog niet. Wat is het?

Het is een graftombe, en misschien wel de merkwaardigste van de hele Indische archipel. In elk geval een van de geheimzinnigste: op de grafsteen staat een lange inscriptie in code, die generaties lang alle pogingen haar te ontcijferen heeft weerstaan. Toen ik in het Franse tijdschrift Archipel de publicatie las die Willem Remmelink in 1995 aan dit wonderlijke monument heeft gewijd, dacht ik dat er vooral in Indische kring grote beroering over zou ontstaan, maar dat is vreemd genoeg niet gebeurd. De 26-regelige inscriptie op de zerk verbergt namelijk een echt Indische tragedie, hartverscheurend voor wie daar gevoelig voor is. Remmelink geeft in zijn artikel ook de oplossing, maar die houd ik nog even in reserve. De ontknoping is immers veel dramatischer wanneer die langzamerhand duidelijk wordt, zoals in werkelijkheid ook is gebeurd.

Remmelink, die nu directeur is van het Japan-Nederland Instituut in Tokio, heeft jarenlang rondgelopen met een kopie van de tekst zoals die op de grafsteen staat: `Een eenvoudige alfabetische substitutie, dacht ik. Maar vele nachten en talloze uren later had ik het nog niet ontraadseld'. De veronderstelling dat het om een simpele substitutie ging zal misschien te danken zijn geweest aan Edgar Allen Poe, die in het beroemde verhaal The Gold-Bug, verschenen in 1843, het ontcijferen van een mono-alfabetische code beschreef. Ook afkomstig van Poe is de gedachte dat elke door mensen bedachte code ook door mensen kan worden ontraadseld. Dat klinkt plausibel, maar in feite lagen de zaken veel ingewikkelder dan Poe ooit heeft vermoed, onder andere door de systemen bedacht door Blaise de Vigenère in de 16de eeuw.

Remmelink intussen gaf zich niet gewonnen en bleef al zijn verloren ogenblikken experimenteren met de Patjitan-tekst, bijna uit tijdverdrijf, maar zonder resultaat. Zo zou het misschien zijn gebleven als hij niet naar Japan was verhuisd en daar kennis had gemaakt met de wetenschapsattaché van de Nederlandse Ambassade, genaamd Jan Willem Stumpel. Stumpel had verstand van cryptanalyse en ervaring met het schrijven van computerprogramma's voor codes van het type Vigenère. Dit leidde in korte tijd tot een doorbraak. Ik moet bekennen dat ik de dan volgende passage in Remmelinks artikel niet zonder emotie kan lezen: ,,Eindelijk, op 2 october 1990 gaf het raadsel van Patjitan al bij de eerste poging zijn geheim prijs, toen als door toverij de eerste Hollandse woorden op het computerscherm verschenen.''

Welke woorden dat waren hoop ik op 26 april aanstaande na mijn bezoek aan Patjitan hier in het Cultureel Supplement te onthullen. Intussen kunnen liefhebbers van de cryptanalyse hun krachten beproeven op de hierbij afgedrukte codetekst. Iets dat voor mij op zichzelf al het karakter van een wonder heeft, is hoe door de decodering ook de ontbrekende letters in de codetekst werden gerestitueerd. Het gaat, zoveel kan ik er alvast wel van zeggen, inderdaad om een aangrijpend Indisch drama, waarover ik in de tussentijd nog wat aanvullende informatie hoop te vinden. Wie niet zolang kan wachten kan het tijdschrift Archipel met Remmelinks artikel uit de bibliotheek halen, want daarin staat de ontcijferde tekst.

Een onvergetelijk artikel overigens; wat het voor mij extra ontroerend maakt is dat het geschreven werd als hommage aan Han Resink, ongeveer in de tijd dat ik hem nog heb ontmoet, twee jaar voor zijn dood. Han Resink, die dichtte over `...een berghelling van hemel tot aarde, tussen de doden, die het land soms doen beven/ en om wie na eeuwen nog mensen geven.'