Heksen en burgermannen

Alexander Koeprin (1870-1938) behoort samen met Gorki en Boenin tot de nabloei van het 19de-eeuwse Russische realisme. Een generatie die nooit helemaal uit de schaduw van haar grote voorgangers is gekomen. En Koeprin stond daarbij weer in de schaduw van zijn tijdgenoten, hij was geen vlaggenschip van de socialistische literatuur, zoals Gorki, en hij heeft ook geen Nobelprijs gehad, zoals Boenin. Als schrijver neemt Koeprin een tussenpositie tussen zijn beide tijdgenoten in, je vindt in zijn werk niet de socialistische rimram van Gorki en ook niet de mooischrijverij van Boenin.

Koeprin verloor op jonge leeftijd zijn vader. Zijn onbemiddelde moeder kon haar zoon alleen een fatsoenlijke opleiding geven door hem naar een militair opleidingsinstituut te sturen, waar de artistiek aangelegde jongen een betrekkelijk naargeestige jeugd doorbracht tot hij in 1894 zijn ontslag uit het leger nam. Hierna leidde hij een zwervend bestaan dat hem door heel Rusland voerde en hem in aanraking bracht met alle lagen van de bevolking. Het is dan ook geen wonder dat hij begon als naturalistisch schrijver met `felrealistische' verhalen waarin zijn eigen ervaringen ruimschoots werden verwerkt. Een zekere hang naar het melodramatische is dan al zijn grootste manco. In de jaren tot de revolutie is hij een zeer bekend schrijver. In 1918 weet hij Rusland te ontvluchten. Tot 1937 woont hij in Frankrijk, in welk jaar hij terugkeert naar de Sovjet-Unie, niet uit sympathie voor Stalin, maar omdat zijn gezondheid achteruitging en hij in zijn vaderland wilde sterven.

Koeprin is de auteur van enkele romans en 200 verhalen, waarvan in Olesja en Vera twee van de beroemdste zijn vertaald. Voor het eerst, volgens de flap, en dat is dan tekenend voor de onbekendheid van deze schrijver in ons land, want in Rusland behoren zowel `Olesja' als `Vera' (dat beter bekend is onder de titel `De granaten armband') tot de klassieken.

`Olesja' behandelt een in Rusland bekend thema, de intellectuele stedeling die in aanraking komt met de onbedorven natuurmens, een confrontatie die voor de laatste alleen maar rampzalig kan aflopen. Koeprin geeft aan dat oude gegeven een originele draai. De natuurmensen in kwestie, een grootmoeder en kleindochter die in een afgelegen hutje in eindeloze bossen wonen, zijn heksen, vrouwen die bovennatuurlijke gaven bezitten. De dorpelingen haten hen daarom als de pest en geven hen van elke ramp die hen overkomt de schuld. De verteller gelooft eigenlijk in het geheel niet in al die onzin, maar ook hij wordt aan het twijfelen gebracht door de niet te ontkennen feiten. Bovendien wordt hij verliefd op de kleindochter, Olesja, de titelheldin van het verhaal. Een liefde waarvan de afloop slechts tragisch kan zijn. Het is een mooi verhaal, waarin de `westerse' strikt rationele levensvisie subtiel wordt gezet tegenover een `primitieve' magische, met verder een prachtig portret van de titelheldin, natuurbeschrijvingen die zo levensecht zijn dat je je soms zelf in de bossen en moerassen van Wit-Rusland waant, en een beklemmend beeld van de bewoners van zo'n geïsoleerd dorp.

`Vera' is een geheel ander verhaal, maar ook dit heeft een klassiek thema, een Beatrice-achtige, obsessieve, onbereikbare liefde, wederom met tragische afloop. En ook hier weet Koeprin een aardige variatie te vinden door het verhaal te vertellen vanuit het perspectief van de vrouw die er het doelwit (`slachtoffer' is niet juiste woord) van is. En ook hier zijn standsverschil en verschil in levensvisie de hoofdgegevens.

Vorstin Vera viert haar naamdag in haar villa even buiten Jalta. Ze heeft wat familie en vrienden uitgenodigd. Tijdens het feest wordt er een pakketje voor haar bezorgd, een brief en een granaten armband, afkomstig van een raadselachtige figuur die haar al jaren liefdesbrieven schrijft. Ze voelt zich ongemakkelijk, maar is toch gestreeld. Haar man en haar broer zijn minder gecharmeerd, zij besluiten, tegen de wil van Vera, de `dader' op te sporen. Het is een onbeduidende jonge ambtenaar. Kort na het intimiderende bezoek van de twee hoge heren pleegt hij zelfmoord. Wanneer Vera dit in de krant leest, begeeft ze zich naar zijn woning waar hij nog ligt opgebaard. Pas dan beseft ze dat ze waarschijnlijk nooit een groter, onbaatzuchtiger liefde zal kennen dan van deze man en ze is diep ontroerd.

Het einde is wat pathetisch, maar de tekening van het milieu, van de hufterigheid van Vera's man en broer en vooral van Vera's eigen dubbele gevoelens over deze affaire zijn buitengewoon trefzeker getekend. Alleen al door deze twee verhalen heeft Koeprin zijn bescheiden plaats in de Russische literatuur meer dan verdiend.

In een serie over vertaalde klassieken deze week `Olesja en Vera' van Alexander Koeprin (vert. Monse Wijers, L.J. Veen, 160 blz. euro 18,85)