Fortuyn product van verveling

De omslag van de politieke stemming in Nederland doet denken aan het revolutiejaar 1848, toen in Frankrijk Louis Philippe werd afgezet. Toch is Pim Fortuyn altijd nog beter dan de revolutie, vindt F.R. Ankersmit.

In zijn balans van acht jaar Kok zoekt Paul Scheffer (opiniepagina, 2 maart) de verklaring voor de huidige onvrede met Paars in het falen van de sociaal-liberale coalitie op een aantal beleidsterreinen, zoals dat van de immigratie, het onderwijs, de gezondheidszorg en de politie. Dat Paars hier tekortgeschoten is, zullen socialisten en liberalen nu zelf bereid zijn toe te geven. Wat dat betreft, kan ik Scheffers analyse geheel en al onderschrijven.

Ook Scheffers analyse van het fenomeen Fortuyn – die hedendaagse politieke rattenvanger van Hamelen – kan ik delen. Inderdaad, zonder Wim geen Pim. Fortuyn leeft van de tekortkomingen van Paars; hij is daarom evenzeer afhankelijk van die tekortkomingen als een loodgieter van lekkages. En met het beëindigen van Paars streeft Fortuyn daarom ook de beeindiging van zijn eigen bestaansrecht na. Als Wim weg is, hebben we ook Pim niet meer nodig – dat zouden de stemmers op Pim zich beter moeten realiseren dan ze nu doen. Meer nog, van politici die zich beperken tot het plaatsen van mintekens bij de handel en wandel van anderen (zoals Pim) valt weinig creatiefs te verwachten. Niet de antithese, maar eerst de synthese brengt ons politiek verder.

Maar ik denk dat er meer aan de hand is dan dit. En dat het optreden van Fortuyn dat op twee manieren kan verhelderen. In de eerste plaats, zelden in de politieke geschiedenis van ons land is de politieke stemming in zo korte tijd zo totaal omgeslagen. Het herinnert aan het revolutiejaar 1848, toen het bewind van de Franse koning Louis Philippe na achttien jaar de belangen van de middenklassen trouw behartigd te hebben, vrijwel van de ene dag op de andere door diezelfde middenklassen aan de kant geschoven werd. En Louis-Philippes ongelovige verbijstering over de onverwachte val van zijn régime herinnert weer sterk aan die door Melkert en Dijkstal zo openlijk geëtaleerde verbijstering bij het lijsttrekkersdebat na de gemeenteraadsverkiezingen.

`La France s'ennuie', Frankrijk verveelt zich, zo zei men in 1848: en het is uit verveling dat men revolutie maakte. Het is waar dat historici sindsdien allerlei `diepliggende' oorzaken van 1848 opgespoord hebben, maar toch zit daar een belangrijke kern van waarheid in. Zo heeft politieke verveling nu tot Pim Fortuyn geleid – en het mag tot optimisme stemmen dat die verveling in onze tijd tot zoveel onschuldiger resultaten leidt dan vroeger het geval was. Want je kan altijd nog beter Pim Fortuyn dan een revolutie hebben.

Maar `verveling' is niet noodzakelijkerwijs iets van de oppervlakte en kan heel goed met iets `dieperliggends' te maken hebben. En dat brengt mij bij mijn tweede punt. Want dat de politiek de laatste tijd zo verschrikkelijk 'vervelend' is geworden, heeft zeker te maken met een zeer fundamentele verandering in de tegenwoordige politieke cultuur. Men moet daarbij vooral denken aan wat een paar jaar geleden bekend werd als `de verplaatsing van de politiek'. De gedachte was daarbij dat politiek niet meer gemaakt wordt in het politieke centrum, in Den Haag, in het contact tussen parlement en regering, maar in de laboratoria waar nieuwe ontdekkingen gedaan worden, in de directiekamers van de grote `internationals', in de financiële netwerken, in Brussel en overal waar de overheidsbureaucratie met de samenleving in contact komt.

Zoals de theoretici van die verplaatsing van de politiek niet moe werden te beklemtonen, we moesten dit alles met warmte aan het hart drukken. Want dit was nu eenmaal de tijdgeest, dit was de nieuwe politieke realiteit, dit was efficiency, dit was de toekomst van onze ICT-samenleving etc. Zij gaven dan wel toe dat de democratie hiermee in de kou kwam te staan, omdat van een democratische controle op die nieuwe machtscentra per definitie geen sprake kon zijn. Maar, zo beklemtoonden zij, dat is nu een keer de (geringe) prijs die we moeten betalen om bij de tijd te zijn en om met het buitenland tekunnen concurreren.

De omslag in het politiek sentiment van de afgelopen maanden suggereert dat de burger vooralsnog democratischer is dan die nieuwe politieke cultuur die met Paars geïntrodueerd werd. De burger houdt blijkbaar niet van die `verplaatsing van de politiek'; hij ziet dat die leidt tot een woestijn van politieke saaiheid en, vooral, dat hij daarmee het laatste restje kwijtraakt van de greep op het politieke gebeuren dat hem nog restte. De immense populariteit van Fortuyn moet ons daarom niet tot somberheid stemmen. Integendeel, die bewijst dat de democratie nog springlevend is in ons land, en dat die bij de burger zelfs dieper wortel geschoten heeft dan bij onze hedendaagse bestuurderen die hun (en onze) politieke macht zo graag en zo gemakkelijk offeren op het altaar van `de verplaatsing van de politiek'.

Je kan nog een stap verder gaan en je afvragen waarom wij de `verplaatsing van de politiek' zo passief over ons heen hebben laten komen. Dat ligt in grote lijnen als volgt. Je kan de moderne staat goed vergelijken met de moderne stad. In beide gevallen is sprake van een enorme schaalvergroting en waarbij steeds nieuwe wijken aan het bestaande werden toegevoegd – maar zonder dat iemand meer goed nadacht over de logica en de samenhang van het geheel. Het resultaat is dat de moderne staat uitdijde tot een gigantische en vormloze monstruositeit. En omdat niemand meer een goede greep had/heeft op dat bestuurlijke monster van Frankenstein, leek het een goed idee de hele zaak dan maar over te geven aan de markt en het spel van de maatschappelijke krachten. Vandaar de privatiseringsmanie, de rampen met bijvoorbeeld de NS en KPN.

Vooral het liberalisme dient zich dat aan te trekken. Want sinds de dagen van Hobbes, Locke, Montesquieu, Kant, Constant, Bagehot en Mill was het liberalisme juist in de allereerste plaats een denken over de staat. Maar hedendaagse liberalen weigerden die traditie voort te zetten – en zo werd een ongecontroleerde woekering van de staat mogelijk; een woekering, waaraan de staat nu zelf dreigt te bezwijken. En daarmee de democratie in zijn val meeslepend. Want democratie is eerst mogelijk nadat men de aard en taak van de staat met enige nauwkeurigheid gedefinieerd heeft. En we mogen Fortuyn dankbaar zijn dat hij ons hier nog eens goed op gewezen heeft – bedoeld of onbedoeld.

F.R. Ankersmit is hoogleraar theoretische en intellectuele geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Op 8 april houdt NRC Handelsblad een debat over `Het Nationale Chagrijn' in samenwerking met De Rode Hoed te Amsterdam. Aanvang: 20.15. Reserveren: 020-6385606.

www.nrc.nl/opinie: Balans van Paars