Een ongeduldige brokkenpiloot

Daniel Defoe begon in de kousenhandel en zou de rest van zijn leven in werkelijk alles blijven handelen. Bovendien werkte de auteur van Robinson Crusoe als journalist en spion. Zijn biografie is er een voor mensen die een grote sympathie voor hem koesteren.

`Het is heel moeilijk het karakter van Daniel Defoe met enige sympathie te beschouwen', schreef de essayist Edmund Gosse in 1906. `En het is waarschijnlijk in Defoes voordeel dat de beste boeken hun auteur doen vergeten'.

Kennelijk had Edmund Gosse ruim 130 jaar na de dood van Daniel Defoe (1661-1731) nog steeds een hekel aan de schrijver van Robinson Crusoe. Waarom? `Het kan niet worden ontkend dat zijn karakter, enkele van de minst aangename eigenschappen van de achttiende-eeuwse geest en moraal bijna uitbundig demonstreert', schreef Gosse. Dat is streng. Gosse vond het een karakterloze oplichter, een onoprechte draaikont en beweert ten slotte dat Defoe in Robinson Crusoe `rather by accident than art' een van de mooiste romans ooit heeft geschreven. Dat lijkt onrechtvaardig.

Sympathie voor Daniel Defoe had ik gekregen door de biografie die Richard West in 1997 publiceerde: The Life & Strange Surprising Adventures of Daniel Defoe. Mooi boek, warm, maar niet erg evenwichtig – West is reisjournalist en besteedt onevenredig veel aandacht aan Defoes Tour of the Whole Island of Great Britain (1724-6). Defoe komt eruit tevoorschijn als een authentieke, fascinerende figuur. Spannend: altijd achtervolgd, geheim agent, handelaar, agitator, pamflettist. Om de splinternieuwe Defoe-biografie uit te lezen die Maximillian Novak schreef – Daniel Defoe. Master of Fictions. His Life and Ideas – moet je echter wel een erg grote sympathie koesteren voor de schrijver van Robinson Crusoe (1719).

Novak is een wetenschapper tot op het bot, en een echte kenner. Ik geloof dat zijn eerste Defoe-artikel al uit de jaren vijftig van de vorige eeuw stamt, hij schreef in 1962 een boek over Defoe en economie, en bleef tal van stukken schrijven over `Defoealia'. Ik vermoed dat Novak zijn biografie als de kroon op alle uren met Defoe beschouwt. In deze zevenhonderd minutieuze, doodernstige bladzijden tellende biografie wil hij alles kwijt wat hij weet en dat is heel veel.

De tijd van Defoe beslaat vier vorsten (Karel II, Willem III, Queen Anne, George I) en een ongelofelijke hoeveelheid woelingen. Je zou het de vooravond van de geboorte van het British Empire kunnen noemen: de vereniging met Schotland, een wankel evenwicht tussen protestant en katholiek, het besef van de commerciële potentie van Groot-Brittannië. Dit althans zijn de hoofdkwesties die Defoe bezighouden, met name in de eerste 58 jaren van zijn leven.

Defoe kwam uit presbyteriaans milieu, een door de Anglicaanse kerk onderdrukte groep. Ondanks zijn helder verstand waren Oxford of Cambridge daarom uitgesloten en hij werd opgeleid tot presbyteriaans geestelijke. Zijn leven lang zou hij ijveren voor protestantse troonopvolging, wetende dat protestanten nu eenmaal voor zichzelf strenger, maar voor andersdenkenden toleranter zijn dan katholieken. Defoe was dan ook enorm ingenomen met de `Glorious Revolution' (1688) die de protestantse Oranje-prins Willem naast Mary op de Engelse troon bracht.

Dominee werd Defoe niet, hij kwam in de kousenhandel terecht en zou zijn leven lang in werkelijk van alles blijven handelen. Een brokkenpiloot in de koop en verkoop. Rusteloos, ongeduldig, met een blinde vlek voor wilde plannen die hem snel rijk konden maken. Zo probeerde hij in de vroege jaren 1690 parfum uit civetkat-urine te raffineren, een mislukte onderneming met geleend geld van zijn schoonmoeder, die hem liet opsluiten toen hij niet afloste.

De handel mag dan zijn leven verregaand hebben beïnvloed – Defoe had geregeld schuldeisers aan de broek en ging een aantal keren bankroet – het bleef een bijbaan. Hoofdzaak was de dienst voor de protestantse zaak, voor de tolerantie, voor zo groot mogelijke vrijheid voor splintergezindten, vrouwen, ijverige arbeiders en journalisten. In allereerste instantie was Defoe journalist, maar van een buitengewoon eigenaardige soort. We spreken over een tijd waarin meningsverschillen werden uitgevochten in libellen, pamfletten en boeken, een genre dat het midden houdt tussen verhandeling en column, vrijwel zonder uitzondering anoniem gepubliceerd. Vrijheid van meningsuiting was beperkt, dat zou Defoe aan den lijve ervaren. Voor The shortest way with the Dissenters (1703), waarin hij bijtend sarcastisch pleitte voor juist de vervolging van presbyterianen, werd hij aan de schandpaal gezet. Defoe gedroeg zich echter als een ware standwerker, en wist de hele oplage van The Shortest Way vanaf het schavot aan de man te brengen.

Zoiets maakt sympathiek.

Defoe produceerde een onwaarschijnlijke hoeveelheid tekst, en redigeerde een aantal periodieken. Tegelijkertijd was hij in dienst van verschillende machthebbers, zoals van de gematigde politicus Robert Harley. Harley liet hem als spion vergaderingen bijwonen en gebruikte Defoe via diens pen als spreekbuis. Zekerheid over Defoes bewegingen is een schaars goed. Als geheimhouding als spion niet noodzakelijk was, dan was het wel om een aanhoudende schuldeiser, want ook als pamflettist/spion blééf Defoe handelen. Welke van de anonieme pamfletten in de eerste twintig jaar van de achttiende eeuw precies van Defoe waren, is evenmin zeker. De schrijver vernietigde de handschriften vanwege rechtzaken tegen hem, en aan het verkondigde standpunt valt Defoes auteurschap evenmin af te lezen. En hier komt een van de bezwaren van Edmund Gosse terug: Defoe was onoprecht en kon in een pamflet vurig voor een zaak pleiten, terwijl hij tegelijkertijd in een van zijn tijdschriften het tegenovergestelde standpunt huldigde.

In zijn inleiding zegt Max Novak dat hij Defoe vooral vanuit zijn geschriften zal benaderen. Hij had ook weinig keus – veel over Defoes privé-leven is niet bekend. Een biografie als samenvloeiing van werk en leven is Daniel Defoe. Master of Fictions dan ook niet. Novak behandelt pamflet op pamflet, libel op libel, boek op boek, en verklaart ze in tijd en omstandigheden. Pas op pagina 534 komen we bij Robinson terecht, en wat er aan prozawerken volgt Capitan Singleton (1720), Moll Flanders (1722), Colonel Jack (1722) en Roxana (1724).

Ik begrijp het probleem van Max Novak. Hij kan er ook niks aan doen dat Defoe pas op zijn achtenvijftigste aan de pure fictie toe was. Daarbij wil ik beslist niet te negatief doen over het werk van deze biograaf. Op zijn minst Gosses enigszins malicieuze suggestie dat Robinson Crusoe `rather by accident than art' zou zijn geschreven, blijkt onzin. Novak laat haarfijn zien hoe Defoe langzaam naar zijn meesterwerk is toegegroeid. Verder is uit Daniel Defoe. Master of Fictions op te maken dat ook de ogenschijnlijk weinig principiële stellingnamen van Defoe een stuk consistenter zijn dan Gosse dacht. Mooi.

Maar is Defoe nu sympathiek of niet?

Er gebeurt iets vreemds als je Novaks boek leest. In eerste instantie verslijt je Defoe voor de typische calvinist. Schriftvast, heimelijk over drijfveren, altijd iets achter de hand, de handel die voortgaat als de spreekwoordelijke karavaan, uitgestreken, ernstig, niet een man naar je hart. Dan rijst de wilde, onvoorzichtige satiricus op, en de roekeloze koopman. Iemand die lol heeft in het spel, zowel literair als in de handel. De man die jongleert met personages en maskers, die goochelt met stemmen en tegenstemmen, de man ook die de chaos niet schuwt. En precies het plezier, de lol van deze `master of fictions', de homo ludens in Daniel Defoe weet Novak niet over te brengen. Misschien heeft Novak soms ook zelf plezier gehad tijdens zijn uren met Defoe, het resultaat van dat samenzijn is prozatype `Dorknoper', informatie zonder sap, dat weinig sympathie vermag te wekken. Zijn biografie is een straf om te lezen.

Maximillian Novak: Daniel Defoe. Master of Fictions. His life and ideas. Oxford University Press, 756 blz. €55,20