Een Beckett uit Québec

De roman uit Québec is nog geen halve eeuw oud. De achttiende en negentiende eeuw vormen slechts een blinde vlek op de Franstalige, literaire landkaart van het Noord-Amerikaanse continent. Pas in de tweede helft van de twintigste eeuw, met name in de aanloop tot en vlak na de `révolution tranquille' in de jaren zestig, legden schrijvers zich toe op de romanvorm – met hart en ziel, in alle mogelijke vormen en in het meest uiteenlopende taalgebruik. Realisme, naturalisme, poëtisch, politiek geëngageerd, militant – op alle mogelijke manieren gaf de literatuur uiting aan de stormachtige ontwikkeling die Québec doormaakte. Het had veel weg van een inhaalrace, de laatste jaren ook ondersteund door het royale subsidiesysteem, dat uitgevers in Québec in staat stelt zeer veel literaire titels van eigen, vaak multiculturele makelij, uit te geven.

Inmiddels is er, ook in de `littérature québécoise', sprake van generaties en stromingen, van voortrekkers en vernieuwers. Je hoeft er bijvoorbeeld de recente studie onder redactie van Jaap Lintvelt (Frontières flottantes, Rodopi) maar op na te slaan om ervan doordrongen te raken hoezeer actuele thema's – culturele identiteit, Exil en migratie – het werk van schrijvers als Jacques Poulin of de Chinees-Canadese schrijfster Ying Chen beheersen. Het Franse Magazine littéraire ontwaarde in de moderne letterkunde in Québec, naar analogie met ontwikkelingen in de Franse moderne literatuur, het déprimisme, waartoe jonge auteurs als Bruno Hébert of Hélène Monette gerekend zouden moeten worden. Hun werk zou de afgrond weerspiegelen aan de rand waarvan de huidige multilinguïstische en multiculturele samenleving, die Québec zonder twijfel is, zich staande probeert te houden. Hun personages zouden, ontwricht door de Amerikaanse consumptiecultuur, ten prooi zijn aan onmacht, waanzin en zelfmoordneigingen.

Doldrieste hoop

Eén van de auteurs die je eventueel tot dit déprimisme zou kunnen rekenen is de in Montréal geboren Gaétan Soucy (43), een zeer getalenteerde schrijver, die natuurkunde en filosofie studeerde en lange tijd in Japan woonde. In Québec werden zijn eerste twee romans, L'immaculée conception (1994) en L'acquittement (1997) enthousiast onthaald en in 1999 omarmde de literaire kritiek ook zijn derde, La petite fille qui aimait trop les allumettes. Vlak daarop was Soucy in Frankrijk één van de ontdekkingen van het jaar, waarna vele vertalingen volgden. Onlangs verscheen de Nederlandse: Het meisje dat te veel van lucifers hield. Vorige maand ging in Parijs ook het eerste toneelstuk van Soucy's hand in première: Paris catoblépas, `van de auteur die balanceert tussen doldrieste hoop en de dood van illusies, tussen de uitsluiting van de ander en de roep om die ander'.

Dat Soucy onklasseerbaar is blijkt al uit zo'n omschrijving. Dat hij uitzonderlijk schrijft staat buiten kijf, al zal de lezer van het origineel beduidend meer onder de indruk zijn dan de lezer van de Nederlandse vertaling. Dat zit hem in de finesses van het Québécois, de on-Franse uitdrukkingen, de speelsheid, het barokke accent, de jubelende toon die bij de vertaling, misschien onvermijdelijk, verloren is gegaan. Wat je in de vertaling treft is de onbeholpenheid van de vertelster, haar vreemde benamingen voor gewone dingen, haar wetende onwetendheid als het gaat om zaken van leven en dood. De stijl, die wordt gevormd door de combinatie van geleerdheid en naïviteit, van staccato en harmonie, van versleten taal en uitdrukkingen die op een nieuwe manier worden gebruikt, is wel met die van Beckett vergeleken.

Die toon klopt met het personage van de vertelster, een jong, wereldvreemd meisje, dat in haar dagboek het verschrikkelijke verhaal van haar jeugd doet. Stukje bij beetje begrijp je dat twee kinderen, broer en zus, op een ochtend geconfronteerd worden met de zelfmoord van hun tirannieke vader, een rijke mijneigenaar, die ieder contact met de buitenwereld schuwde en ook zijn kinderen verbood het landgoed te verlaten.

De jongen heeft zijn dierlijke instincten niet weten te overstijgen, het meisje heeft zichzelf, met behulp van de bijbel, de Ethica van Spinoza en de complete werken van Saint-Simon, die ze vond in de bibliotheek van haar vader, lezen en schrijven geleerd – de echo ervan is voortdurend in haar taalgebruik te bespeuren. Na de dood van hun vader rijdt het meisje te paard naar het dichtstbijzijnde dorp op zoek naar een kist. Het is haar eerste kennismaking met de buitenwereld, het begin van de ineenstorting van de enige wereld die zij tot dan toe kende en, in zekere zin, het begin van haar noodlottige bevrijding – in de loop waarvan duidelijk wordt welke tragedies zich er in vroeger jaren op het landgoed moeten hebben afgespeeld.

Kou

Het is een vreemde, wrede sfeer die Soucy in zijn boeken oproept, hard en vol intermenselijke en klimatologische kou, die soms doet denken aan de kindertijd zoals Anne Hébert, de grande dame van de literatuur uit Québec, die wel kon schetsen in haar vroege romans en verhalen. Soucy voert de spanning op, voert de tragedie naar zijn onthulling en stelt bijbelse en filosofische kwesties aan de orde; vragen van schuld, dood en vergiffenis, van hel, verdoemenis en verlossing.

Je kunt Het meisje dat te veel van lucifers hield ook lezen als een `conte philosophique' over Québec: wat te doen na de dood van de vader (God), na het wegvallen van wet en gebod (de radicale en plotselinge scheiding van kerk en staat in Québec in de jaren zestig, waarbij de kerk haar macht verloor)? Hoe nieuwe normen te creëren, nieuwe maatstaven te stellen als het ijkpunt is weggevallen? Wat te doen als er één (het meisje) op onderzoek uitgaat, zich openstelt en de ander (de jongen) op een stupide manier in zichzelf gekeerd blijft en vervolgens een derde, een voorbijganger (een zwerver), er met het zilver vandoor gaat?

Terugkijken naar het verleden, afrekenen met dat verleden waarin onherstelbare dingen zijn gebeurd – dat was ook de rode lijn in Soucy's tweede, minstens zo indrukwekkende roman, die eveneens een vertaling verdient. In L'acquittement onderneemt een veertiger een reis door sneeuw en kou, te voet en per arreslee, naar het dorp waar hij twintig jaar daarvoor een beslissende ontmoeting had. Het is schuldgevoel dat hem drijft, verlangen naar verlossing, reparatie van vermeende fouten. Weer blijkt het helemaal anders, weer speelt de waanzin op in een curieus verleden, een vreemde `verloren tijd'. Weer wacht Soucy tot de laatste bladzijden voor hij de sleutel uit handen geeft en het mysterie ontvouwt – en dan nog maar gedeeltelijk. Je blijft nog lang bezig met dat meisje en haar lucifers, en met die door de sneeuw voortploeterende man.

Gaétan Soucy: Het meisje dat te veel van lucifers hield. (La petite fille qui aimait trop les allumettes). Uit het Frans vertaald door Han Meijer. Querido. 176 blz. €15,95 Gaétan Soucy: L'acquittement. Ed. Boréal, 123 blz. €9,60