De VOC in Malakka: verguisd en verdrongen

Helemaal niets wil Malakka weten van zijn VOC-verleden. In deze welvarende stadstaat waar het huidige Maleisië uit voortkwam, wordt het Hollandse verleden verzwegen. In het Malakka van nu doen de Nederlanders en Portugezen hun zeventiende-eeuwse strijd nog eens dunnetjes over. `De geschiedenis wordt herschreven.'

Deze week: op zoek naar de erfenis van de Compagnie op Malakka.

Trots, verbazing en een scheutje hebzucht, het gierde allemaal door Hazel Westerhout toen ze een paar jaar geleden nog eens goed keek naar een achttiende-eeuwse kaart van Malakka, de stadstaat waaruit het huidige Maleisië is voortgekomen. Drie familienamen stonden er bij de stukken land in en rondom de strategisch gunstig gelegen havenstad die de Vereenigde Oostindische Compagnie van 1641 tot 1795 bestierde. ,,En bij het grootste stuk stond de naam Westerhout'', zegt de nazaat die nu met man en kinderen in een bescheiden flatje woont aan de rand van Malakka. Haar eerste gedachte: ,,Dat is allemaal van ons.''

Ooit bezat de familie het nog altijd statige `Westerhouthuis', een kilometers lang stuk land en het grootste deel van de Jonkerstraat, een van de twee verkeersaders van toen, nu een antiekparadijs. Een bevriende jurist zocht uit wat de reactie zou zijn van het gemeentebestuur als Westerhout zou proberen dat voormalige bezit te claimen. ,,Ik zou met terugwerkende kracht alle nog uitstaande onroerend goed belasting van de afgelopen tweehonderd jaar ofzo moeten betalen. Een rechtszaak? Ben je gek, die verliezen we natuurlijk.''

Logisch, want niemand pakt Malakka af van Malakka, nu een van de meest welvarende deelstaten van Maleisië. Dankzij het toerisme, de dobber waar de lokale economie op drijft. En dat weer dankzij de VOC, die na een verblijf van anderhalve eeuw belangrijke trekpleisters naliet. Maar waag het niet tegen een Maleisiër iets positiefs te zeggen over de VOC. En helemaal niet tegen een inwoner van Malakka. Voor hen zijn de Nederlanders uitbuiters die in de zeventiende en achttiende eeuw de stad en de haven om zeep hebben geholpen zodat die van Batavia (nu Jakarta in Indonesië) kon bloeien. Op school wordt de VOC afgeschilderd als de opdrachtgever van de ene massaslachting in Zuidoost-Azië na de andere. ,,Met moord stelden de Nederlanders hun handelsbelangen veilig'', zeggen geschiedenisleraren. Hun lesmateriaal: `de Ambonse moord' van 1623 toen de VOC twintig personeelsleden van de Britse compagnie martelde en doodde die het kruidnagelen-monopolie van de VOC dreigden te ondermijnen.

Souvernirverkopers en fietstaxirijders, de mensen in Malakka die leven van het toerisme, weten niet meer van de VOC en de Nederlanders dan: ,,Die hebben hier toch maar heel kort gezeten?'' Ze vragen het terwijl ze hun waar verkopen aan de voet van het `Stadthuys' van 1650, tegenover de Christuskerk van 1753 en vlakbij een koddige miniatuur-replica van een Nederlandse molen aan het `Hollandse Plein'. Het `Stadthuys', een kopie van het toenmalige stadhuis van Hoorn, deed dienst als de gouverneurswoning en is het oudste nog bestaande VOC-bouwwerk in Zuidoost-Azië. Toeristen, vooral uit Azië, gebruiken het samen met de kerk als achtergrond als ze elkaar fotograferen.

Een bijzonder decor is het zeker: alles op en om het plein is om raadselachtige redenen bedekt met brandweerkazerne-rode verf. Er bestaan ministens vier theorieën over wat wie heeft bezield om het historische hart van Malakka in de menie te zetten. Onbedoeld blijkt het in ieder geval een toeristische meesterzet.

Tot 1511 was Malakka een kosmopolitische stad waar in tachtig talen handel werd gedreven. Het was dan ook een van de belangrijkste havens ter wereld, een drukke stapelmarkt waar bijvoorbeeld handelaren uit de Molukken hun specerijen ruilden tegen textiel van Indiase kooplui uit Gujarat. Arabieren, Chinezen, Javanen, joden en Japanners – allemaal kwamen ze om te handelen in zijde, kamfer, porselein, suiker, nootmuskaat en sandelhout. Overeenkomsten werden gesloten met een handdruk en een hoopvolle blik naar de hemel.

Maar toen namen de Portugezen het lucratieve Malakka met geweld over. Daarmee werd het hart weggehaald uit het tere web van pacificerende handelsrelaties tussen talloze koninkrijken en handelspartners. Handel in Zuidoost-Azië had voortaan een militaire component. Als symbool van de nieuwe handelsorde bouwden zij onmiddellijk een stevig fort.

Het duurde tot 1606 voordat de VOC op het tapijt verscheen en besloot om van Malakka haar Zuidoost-Aziatische handelscentrum te maken. Maar Admiraal Cornelis Matelieff en zijn kanonnen maakten geen enkele indruk op de metersdikke muren van Fort Malacca. Zeeheld na zeeheld kwam het na Matelieff namens de VOC proberen. Het doel bleef hetzelfde – van Malakka een VOC-haven maken – maar gaandeweg veranderde de reden. Batavia was hard op weg het Oost-Aziatische VOC-centrum te worden en kon daarbij geen concurrentie gebruiken. Dus ook niet van het Portugese Malakka dat met zijn vermaledijde fort A Famosa almaar stand hield.

Na vijf maanden schieten slaagden de VOC-schepen er op 14 januari 1641 eindelijk in het verzet van de Portugezen te breken. Batavia kon tevreden zijn: van Malakka was weinig over en een concurrent was uitgeschakeld. Na de herbouw van het fort kon de VOC met een minimum aan manschappen, hooguit 550, 150 jaar lang de voornaamste doelstelling bewaken: dat Malakka niet in handen viel van een handelsrivaal. Binnen enkele jaren na de verovering van de stad was ook het Stadthuys klaar en stond er een kerk hoog op de heuvel erachter. Buiten de fortmuren kwamen de straten waaraan de woningen werden gebouwd voor de rijke heren: De Heerenstraat, en minder rijke heren: De Jonkerstraat.

De huizen zijn nog steeds allegaartjes van Nederlandse, Chinese en lokale architectuur. Smal zijn ze, want de VOC-fiscus koppelde de belasting aan de breedte van elk huis aan de straatkant. Ze zijn dan ook meters en meters diep.

Op nummer acht van De Heerenstraat – nu Jalan Tun Tan Cheng Lock – werkt ingenieur Tan aan de restauratie, met Amerikaans geld, van een bouwvallig Nederlands huisje. ,,Jullie zijn immers te krenterig'', verklaart deze kennelijke connaisseur met uitgestreken gezicht. Tan maakt zich oprecht kwaad over de manier waarop de huidige bewoners van Kampong Belanda – de Nederlandse wijk die uit de Heeren- en Jonkerstraat bestaat – met hun huizen omgaan. ,,Het lijkt wel alsof ze zich ervoor schamen dat die door de Nederlanders zijn gebouwd.'' Bewoners ontkennen glashard dat hun huis ruim driehonderd jaar oud is, ook al zeggen de gevelankers buiten 1, 6, 7 en 3. ,,Sommige eigenaren breken het hele huis af, betalen lachend een boete en bouwen een nieuw. Met deze restauratie laten we zien hoe fout dat is. We moeten het Malakka-erfgoed bewaren, óók het Nederlandse.''

Maleisische historici vallen van hun stoel van het lachen, maar de Australische professor Radin Fernando weet het zeker: ,,Onder de VOC kwam Malakka tot grote en pre-Portugese bloei.'' De wetenschapper die is uitgeweken naar de Singaporese Nanyang Universiteit, wordt in Maleisië niet geloofd. ,,Iedereen leert daar de eigen geschiedenis door de ogen van de Britten die van 1826 tot 1957 Maleisië hebben bestuurd. Om hun superieuren in Londen ervan te overtuigen dat Groot-Brittannië de Nederlandse belangen in Zuidoost-Azië diende over te nemen, schetste de Britse kolonisator ten onrechte een beeld van een perfide, bloeddorstig heerser die Malakka naar de afgrond voerde. Dat laatste werd door het lokale VOC-bewind in de hand gewerkt, want in de correspondentie met Batavia deed ze het voorkomen dat het economisch heel slecht met Malakka ging. Ze rapporteren bijvoorbeeld het aanleggen en lossen van veel minder schepen dan het er in werkelijkheid waren. Zo konden de VOC'ers in Malakka tolheffingen en andere belastingen in eigen zak steken in plaats van naar Batavia te zenden. Tegelijk kreeg het VOC-hoofdkwartier dáár de aangename indruk dat Malakka de concurrentie met Batavia niet aankon.''

Fernando buigt zich al een kwart eeuw over de vele duizenden documenten die de VOC in Malakka produceerde – ,,ze hielden werkelijk álles bij, from every damned ship'' – en zijn beeld van de Compagnie wijkt steeds verder af van wat in Maleisië gebruikelijk is. ,, Een overzichtelijke stad met een schitterende mix van culturen. De Portugezen mochten bijvoorbeeld gewoon blijven. Extreme wreedheid legden de Nederlanders alleen aan de dag tegen wetsovertreders. De straten waren schoon, klassenonderscheid was goeddeels weg en iedereen kende elkaar.'' Maar een tentoonstelling die dit in zeventig panelen liet zien, ging vorig jaar in Malakka in vlammen op. In een ongeluk gelooft de professor niet.

Gepensioneerd leraar klassieke talen en thans amateur-historicus Aloysius Robless heeft het ook gemerkt: ,,Ik stuit hier op zoveel vijandigheid als ik achter feiten uit de Hollandse tijd probeer te komen.'' Een van Robless' vondsten, afgezien van enkele tunnels van het ingenieuze rioleringssysteem: ,,In Malakka is de ruilhandel geboren, en de VOC heeft die tot volwassenheid gebracht.'' De handel van de Compagnie week destijds af van die van andere Europese handelsnaties doordat de VOC naast de route Azië-Europa ook een uitgebreid handelsnetwerk bínnen Azië had opgezet. Het vaststellen van de relatieve waarde van ruilgoederen als zilver en specerijen, zeker als die weer door ruil waren verkregen, was lastig en Malakka, met zijn eeuwenlange ervaring als `ruilhaven', bood uitkomst. ,,Zelfs tot vorig jaar was er hier ruilhandel: palmolie, rijst en tropisch hardhout'', vertelt Robless, ,,maar de handelaren moesten weg, want de kade wordt een of andere boulevard voor de toeristen.''

Het boulevardplan komt van wat professor Fernando `de ontwikkelingslobby' van Malakka noemt. ,,Zij staan tegenover de `conserveringslobby' die in naam van de geschiedenis alles in de stad in oorspronkelijke staat wil houden.'' De laatste groep heeft het moeilijk. Malakka afficheert zich als `The Birthplace of Malaysia' en het al te zeer bewierroken van Portugese, Nederlandse en Britse verdiensten, past niet erg in de nationalistische propaganda van het land. In Malakka bewandelden Chinese projectontwikkelaars een subtiele middenweg. Op een door Nederlandse baggeraars neergelegd stuk land hebben ze een paar jaar geleden een wijk gebouwd. Hoge huizen met on-Aziatische gevels kunnen nauwelijks anders dan op Amsterdamse grachtenhuizen zijn geïnspireerd.

,,Maar verder hebben wij helemaal niets'', sombert Dennis DeWitt. Hij komt uit Malakka, ploos zijn stamboom uit en kwam beschaamd tot de conclusie dat hij een nazaat was van Nederlandse VOC-beambten. ,,Waarom beschaamd? Omdat ik niet een Portugese euraziër bleek te zijn.''

In het Malakka van nu doen de Nederlanders en Portugezen het zeventiende-eeuwse beleg nog eens dunnetjes over. De pakweg honderd Nederlanders zijn volgens DeWitt zwaar aan de verliezende hand. Portugese euraziërs krijgen bijna dezelfde wettelijk vastgelegde privileges als Maleiers. ,,In plaats van vier krijgen ze bij de bank tien procent rente'', zegt DeWitt. De Indiase en Chinese minderheden hebben het nakijken. En de euraziërs met Nederlandse voorouders ook. ,,Het bestaan van Hollandse euraziërs wordt ontkend'', zegt DeWitt. ,,De geschiedenis wordt herschreven. Wij worden weggevaagd.''

De mensen die nu wonen in de Portugese nederzetting van Malakka, zich trots in Portugese klederdracht steken en Portugese volksdansen hebben geleerd, is niet aan het verstand te peuteren dat hun achternamen Zijlstra en Hendriks geen Portugese namen zijn. ,,Jullie hebben geen cultuur, want Nederland heeft geen cultuur'', is wat de DeWitts, Westerhouts en de De Vries-en door de Malakkers van Portugese afkomst voor de voeten krijgen geworpen. ,,En misschien klopt dat ook wel'', overweegt Hazel Westerhout, ,,want zij hebben liedjes, dansjes en kostuums, maar wij kennen niet eens een Hollands gerecht.''

Dit is het tweede deel van een serie over de sporen die de VOC heeft nagelaten in Indonesië, Maleisië, China en Zuid-Afrika en in de Nederlandse rederswereld. Het eerste deel, over Batavia, verscheen 23 maart.