De twintigste eeuw hield het droog

Heeft u wel eens gehuild voor een schilderij? Dat was de simpele vraag die de Amerikaanse kunsthistoricus James Elkins enkele jaren geleden stelde in een oproep in diverse bladen, waaronder de New York Review of Books en in Nederland Het Financiële Dagblad. Hij stelde de vraag ook per brief aan een aantal beroemde collega's.

De onlangs overleden Ernst Gombrich antwoordde ontkennend en sloeg Elkins meteen met een citaat van Leonardo da Vinci om de oren: `De schilder kan aanzetten tot lachen, maar niet tot tranen, want tranen zijn een grotere verstoring van de emoties dan lachen.' Zelfs dat was twijfelachtig volgens Gombrich, die vermeldde dat een schilderij hem ook nooit aan het lachen had gebracht, hoewel hij een boek had geschreven over de geschiedenis van de karikatuur.

Gelukkig heeft Elkins zijn onderzoek toch voortgezet. In Pictures & Tears. A History of People Who Have Cried in Front of Paintings gaat het hem om niet minder dan de vraag wat de schilderkunst eigenlijk nog teweeg kan brengen. Alleen door intense ervaringen, vindt Elkins, wordt schilderkunst `meer dan wanddecoratie'. Hij richt zijn pijlen vooral op de `droge', verstandelijke benadering van zijn kunsthistorische vakbroeders, maar ook op de gewone museumbezoeker die, luisterend naar de audio-tour op zijn koptelefoon, vermoeid voortsjokt langs honderden kunstwerken, zonder werkelijk iets te zien. Elk feit waar een bezoeker in een museum kennis van neemt, werkt volgens Elkins als een kalmeringstablet, als een schild tegen ervaringen uit de eerste hand. `Je ziet wat in je gids staat en je mag van geluk spreken als je nog iets meer ziet.' Al die historische kennis is weliswaar fascinerend, maar stompt ook af. Het kijken naar kunst is te veilig en te onpersoonlijk geworden.

Barbaars

In vogelvlucht laat Elkins zien dat de westerse houding tegenover kunst niet altijd zo afstandelijk is geweest als in de twintigste eeuw, die hij `de droogste eeuw' noemt. In de late achttiende eeuw werd er heel wat afgehuild. In die tijd ontstond een heuse `etiquette van de traan', waar ook auteurs als Diderot en Voltaire niet ongevoelig voor waren. Wie deze sensibiliteit miste, was barbaars en onverfijnd, en in sommige gevallen zelfs ernstig ziek: hij of zij leed aan melancholie. Een kunstwerk was geen object, maar een `nieuwe vriendschap'. Begin negentiende eeuw, toen het bourgeois-toerisme ontstond, deed de schrijver Stendhal er nog een schepje bovenop. Stendhal werd, zoals bekend, fysiek onwel – hij zag sterren en had hartkloppingen – door het zien van de kunstschatten van Florence.

Nog steeds worden toeristen onwel in de kerken en musea van Florence. Een Florentijnse psychiater heeft dit het `Stendhal-syndroom' gedoopt. Daar tegenover staat de `Mark Twain-malaise'. Je zwerft rond door gangen met schilderijen, schreef Twain in 1867 vanuit Rome, en `je staart stompzinning naar oude nachtmerries'. Je luistert naar extatische gidsen, probeert enthousiast te worden, maar het wil maar niet lukken. Je voelt alleen `lichte opwinding, als je de oude namen van de koningen van de kunst hoort meer niet'.

Elkins beschrijft hoe hij zelf ging behoren tot de traanlozen. Als kind was hij gefascineerd door het schilderij De extase van de heilige Franciscus van Bellini (circa 1475) in de Frick Collection in New York. Het schilderij bracht hem in een droomachtige toestand, en riep een religieus ontzag bij hem op voor de natuur. Maar later ontdekte Elkins dat die pantheïstische interpretatie een anachronisme was. Bellini had zich keurig gehouden aan de Renaissance-voorschriften inzake een schilderij over het ontvangen van stigmata. Bovendien ontdekte Elkins dat zijn eigen emoties een geschiedenis hadden en mede bepaald werden door de overgeleverde opvattingen van negentiende-eeuwse romantici als John Ruskin. Van een visionair schilderij veranderde Bellini's werk in een schilderij over een visioen.

Jaloezie

Dat is voor Elkins geen reden voor vreugde, eerder voor spijt. Hij behandelt de brieven van mensen die wèl tranen hebben gelaten voor een schilderij, met veel sympathie en zelfs met een vleugje jaloezie. Hij laat zien dat extreme reacties wel degelijk iets te maken hebben met het werk, en niet uitsluitend worden bepaald door de geestesgesteldheid van de kijkers; van de sombere wereld van Rembrandt tot de homo-erotische geladenheid van een werk van Caravaggio, die beiden goed zijn voor heftige reacties. De twintigste-eeuwse schilder die de meeste tranen losmaakt is volgens hem Mark Rothko; Elkins begint zijn boek met een hoofdstuk over de Rothko-kapel in Houston. Op flinke afstand volgt de Guernica van Picasso, te zien in Madrid.

In de reacties die hij heeft verzameld, komen de briefschrijvers steeds met het begrip `schoonheid' op de proppen. Die ouderwetse term is in de kunstwereld min of meer taboe verklaard, aldus Elkins. `Schoonheid' zou te oppervlakkig, te vaag en te sentimenteel zijn. Ook Elkins besteedt hier verder geen aandacht aan. Dat is jammer, want juist daar draait het blijkbaar om in de ervaringen waar hij naar zoekt, in ieder geval voor de briefschrijvers zelf. Je zou daarnaast willen lezen of Elkins een verschil ziet tussen de emoties die een kunstwerk kan oproepen en de tranen die geplengd worden bij een sentimentele film. Hij lijkt te suggereren dat zo'n verschil wel degelijk bestaat, want hij doet een schuchtere poging om de ontroering van kunst te duiden in de terminologie van religieuze gevoelens: `De meest intense ontmoetingen met schilderijen zijn in essentie religieus'.

Elkins besluit zijn boek met acht tips ter bestrijding van de `Mark Twain-malaise'. Ga alleen naar een museum, niet in een groep. Beperk je tot één of twee zalen. Kies een rustige zaal en probeer alle afleidingen te beperken. Neem de tijd. Probeer niets anders te doen dan geconcentreerd kijken. Denk zelf na en laat je niet leiden door boeken, bordjes en gidsen. Neem een voorbeeld aan mensen die lang voor een werk stilstaan en ga van tijd tot tijd terug naar hetzelfde schilderij. Dan blijft er nog één probleem over: uit alle getuigenissen die Elkins in Pictures & Tears heeft opgenomen blijkt dat ontroering meestal volkomen onverwachts toeslaat.

James Elkins: Pictures & Tears. A History of People Who Have Cried in Front of Paintings. Routledge, 272 blz. E29,90