De kelder gloeit als vroeger

Zigeuners, heksen: zij zijn de outlaws, de rechtelozen, van de maatschappij. In haar roman Heksenblik schrijft Hobaek Haff, de grande dame van de Noorse literatuur, over deze mensen: `Maar omdat we nergens thuishoren, hebben we van de nacht ons koninkrijk gemaakt, beschut door de inktzwarte nacht hebben we ons een vrijplaats verworven waar we opleven en ons naar onze menselijke natuur kunnen voegen. Als de bosuil in de boomtoppen begint te roepen, gaat voor ons de haan kraaien, dan ontwaken de vonken in ons kampvuur en gloort het vuur als een behekste zon aan de horizon. Wat zonsopgang is voor de vaste ingezetenen, is de zonsondergang voor mijn lichtschuwe volk.'

Om verschillende redenen is dit een suggestieve passage, waarin de nacht tot leven komt, ja, een gezicht krijgt. De ritmiek ervan is mooi en er zitten subtiele alliteraties en herhalingen in. De contrasten tussen dag en nacht, bosuil en haan, zijn beeldend aangezet. Bovendien geeft de schrijfster een treffend beeld van de bewoners van nacht en duisternis. Heksenblik is een indringende roman over de positie van de heks of zigeunerin in de samenleving, in dit geval die van de late Middeleeuwen.

De vertelster van het boek, de ik-figuur, is een jong weesmeisje dat bij een dominee in huis als hulp is gekomen. Hij heeft haar leren lezen en schrijven. Ze blijkt buitengemeen begaafd en een scherp waarneemster. Aan het kleurverschil in haar beide ogen is de titel ontleend; zij heeft een blauw en een bruin oog. Vandaar: heksenblik. In het Noors heet de roman trouwens anders, Heksen.

Dat klopt inhoudelijk beter, want de roman geeft het relaas van twee heksen. De naamloze hoofdpersoon en een kruidenvrouw, die het onderwerp van haar fascinatie én beschouwing is. De laatste luistert naar de naam Hanna Mann. Het weeskind voelt zich tot haar aangetrokken, juist omdat de kruidenvrouw door de bevolking wordt gehoond en genegeerd, maar wanneer het zover is dat ziekte of andere kwalen de dorpsbewoners en plattelandslieden teisteren, kloppen ze bij Hanna Mann aan. De mannen maken platvloerse grappen over haar: is het wel een vrouw? En hoe dromen die mannen niet hun vulgaire dromen eens onder haar rokken te kijken. Zij belichaamt het kwaad en juist daarom wordt zij beschimpt.

In meer opzichten lijkt Heksenblik op Haffs eerder in het Nederlands vertaalde boek Schaamte. Ook dat speelt zich af in de benauwende wereld van een plaatsje in Noorwegen en ook daarin wil de hoofdpersoon zich bevrijden van de kluisters van geborneerde geesten. Heksenblik is geen spectaculaire roman in die zin dat er van alles gebeurt, er gebeurt zelfs opmerkelijk weinig. De beide vrouwen worden van hoererij en van alles beticht, ze worden samen opgesloten in een kerktoren. De vrouw van de dominee raakt ziek en de hoofdpersoon moet waken aan haar bed. Stiekem, buiten medeweten van de dominee, haalt de hoofdpersoon geneeskrachtige kruiden, getrokken uit het heksenbrouwsel van Hanna Mann. Alle vuil van de wereld kan de vertelster verdragen en juist dankzij haar kennis van magie, de zwarte kunst, bezit ze een onwaarschijnlijke sereniteit die haar onaantastbaar maakt. Ze overleeft de pest. Het is de beschouwende toon die de roman een trage cadans geeft.

Er treedt een graaf op, Peder Olsen, die zich in wanhoop tot de ik-figuur richt maar bang is voor haar magische krachten. Hij richt zich tot God. Dan gebeurt er iets verrassends: hoogmis en duivelsmis, katholicisme en satanisme voegen zich aaneen en blijken tal van overeenkomsten te bezitten. De ik-figuur symboliseert die eenheid van tegenstellingen, niet alleen vanwege haar verschillende ogen, ook doordat zij, zigeunerkind, kan lezen en schrijven. Zij is boven haar stand getreden en tegelijkertijd blijft zij trouw aan haar eigen volk, de mensen van de nacht.

Aan het slot van de roman blijkt dat de tovervrouw het kind heeft ingewijd in haar duistere kunsten. In een spannende passage schrijft Haff over de geheime kelder van de kruidenvrouw, waar zij haar brouwsels bereidt. Er staat, opnieuw in een mooie formulering en net zo mooie vertaling: `Nu, op dit moment zie ik de kelder weer voor me in de gloed zoals ik die destijds heb ervaren: fantastisch gekleurd door een aantal lampen en met een zwerm dansende schaduwen op het gekalkte plafond. Het is een beeld dat in mijn herinnering nooit tot rust zal komen, het zal blijven ronddraaien in de werveling die de loop der gebeurtenissen wordt genoemd.' Dan, op de laatste bladzijde, komt de crux van de roman: de ik-figuur is tot hekserij ingewijd, zij is bevangen door de magie en kwam daardoor terecht in een wereld waaruit zij nooit meer kan ontsnappen.

Heksenblik is een knappe roman, ingehouden van toon en vol betekenissen. Het is historische roman en bekentenisboek ineen. Het geeft, alsof het een ooggetuigenverslag is, inzicht in de duistere late Middeleeuwen, Huizinga's befaamde `herfsttij'. Bovendien zijn de beide vrouwen, de heksen, een metafoor voor het lot van de buitenstaander. Over hen wordt geoordeeld, zij worden geminacht en dat buiten hun schuld om. Daarom zoeken zij het koninkrijk van de nacht op, daarom roept de uil hen het donker in, waar niemand hen kan zien en dus veroordelen.

Bergjlot Hobaek Haff: Heksenblik. Uit het Noors vertaald door Lucy Pijttersen. Meulenhoff, 205 blz. €17,50