Cyclische vraag in het conflict: waar zijn de VS?

De Amerikaanse bemiddeling in het Israëlisch-Palestijnse conflict steekt bleek af tegenover het geweld. Meer leiderschap is nodig.

Let maar op, zei minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell in november vorig jaar toen hij Amerika's nieuwe gezant voor het Midden-Oosten presenteerde: ,,U zult zien wat duwen en porren is als Tony Zinni is geland.'' Vier maanden later oogt het Israëlisch-Palestijnse conflict nog uitzichtlozer, door de spiraal van geweld. En Zinni, vriend en oud-collega-generaal van Powell, heeft weinig tot geen diplomatieke resultaten gebracht.

Steeds vaker weer rijst de in dit conflict bijna cyclische vraag: waar zijn de Verenigde Staten? Zoals vandaag. Het toenemende geweld, vandaag alleen al symbolisch verder voortgeschreden door de Israëlische aanval op het kantoor van de Palestijnse leider Arafat, ondermijnt en vernedert de Amerikaanse diplomatie: Zinni is nog steeds ter plekke, maar kan de zaken diplomatiek niet naar zijn hand zetten en evenmin verdere geweldescalatie voorkomen.

Alleen al het feit dat Zinni geen dagelijkse gesprekken met of toegang tot de Israëlische premier Sharon en Arafat heeft, geeft aan hoe weinig greep de VS op de gang van zaken hebben. Zinni die als militair de regio goed kent maar weinig diplomatieke ervaring heeft, praat veel met veiligheidsmensen, en weinig met de hoogste leiders. In de twee weken dat hij nu in de regio is, heeft hij welgeteld één keer Arafat lijfelijk ontmoet en Sharon twee keer, waarvan één keer in gezelschap van de Amerikaanse vice-president Cheney.

Waar men juist nu een verhoogde actieradius van de bemiddelaar verwacht, die als het ware de deur platloopt bij beide leiders, ziet men minder diplomatiek verkeer: eergisteren nog zei Powell dat Zinni tijdens Pasen wellicht wat gas zou terugnemen wegens de religieuze verplichtingen van zijn gespreksparters. De Palestijnse zelfmoordenaars en het Israëlische leger nemen geen gas terug. Is het gebrek aan focus bij de VS? Apathie? Radeloosheid? Zinni's fysieke aanwezigheid midden in deze brandhaard is in elk geval een formidabel teken van Amerikaanse onmacht. En hij heeft geen keuze: als hij nu zou vertrekken, betekent dat een nog groter gezichtsverlies voor de VS.

Wie even terugdenkt aan de top van Barak en Arafat in Camp David in de zomer van 2000, toen president Clinton persoonlijk de onderhandelingen voorzat, ziet meteen hoezeer de regering-Bush de Amerikaanse inbreng heeft laten versloffen. De Amerikaanse rol is met de Zinni-missie naar een lager niveau teruggeschroefd, terwijl deze regering wel lijkt te beseffen dat de VS een hoofdrol kunnen spelen. De weg naar vrede is op papier duidelijk voor Washington: eerst een bestand volgens het `veiligheidsplan' van CIA-drecteur Tenet, dan `vertrouwenwekkende maatregelen' volgens het plan van de Amerikaanse adviseur Mitchell en vervolgens vredesonderhandelingen.

Maar de methode Zinni-op-de-grond en Powell-aan-de-telefoon (vanuit Washington) staat voorlopig slechts garant voor gezichtsverlies. Powells telefonades naar Sharon eerder deze week om hem te vermurwen Arafat naar de Arabische top te laten gaan haalden niets uit. De Amerikanen zullen hun druk en gebruik van invloed en macht moeten verhogen. Dit vergt meer leiderschap op het hoogste niveau en dus meer persoonlijke betrokkenheid van minister Powell en `oorlogspresident' George W. Bush. Verder uitstel daarvan zal zich voor de VS ook wreken op een ander terrein: als de VS zich niet meer inspannen in deze brandhaard, zal het toch al geringe draagvlak in de regio voor een door Amerika gewilde aanval op Irak slechts verder afkalven.