Alles hebben ze, zelfs een depressie

Slikken, spuiten, snuiven, alles hebben depressieve jonge Amerikaanse auteurs geprobeerd om aan hun kwaal te ontkomen. Maar waarom zouden ze? Mèt depressie verkopen ze veel beter.

Ze hebben alles, deze jonge blanke Amerikanen: schrijftalent, geld, een goede opleiding, vrienden, schoonheid en een goede gezondheid die ze in de waagschaal stellen. Natuurlijk, ze hebben zo hun porties leed gehad: een weggelopen vader (Wurtzel), een moeder die zelfmoord pleegde omdat ze aan kanker leed (Solomon), worstelingen met bi- en homoseksualiteit en joodszijn (Behrman, Solomon). Maar deze ervaringen verklaren niet volledig de aanhoudende diepere levenspijn die ze vergeefs met drank, drugs en porno proberen te bestrijden; ze lijden aan een ernstige ziekte, een psychische ziekte die depressie heet.

De chronisch depressieve Andrew Solomon (37 jaar) komt de dagen door dankzij een indrukwekkende cocktail pillen (`Soms voel ik me alsof ik tweemaal daags mijn eigen begrafenis slik'), de manisch depressieve Andy Behrman (40 jaar) had baat bij elektroshocktherapie, en de depressieve Elizabeth Wurtzel (34 jaar), wier eerdere boek Prozac Nation haar de bijnaam `the Princess of Prozac' opleverde, zweert bij Prozac. En er is nog een therapie: ze schrijven `memoirs', bekentenisliteratuur over hun depressie. Dat kunnen ze goed. De boeken zuigen je naar binnen en je begint ze aanvankelijk te lezen zoals ze geschreven lijken te zijn: in één adem.

We lezen hoe, in een park in Londen, op een stil uur, lang na middernacht, Solomon wordt benaderd door een kleine dikke man met een bril met zwaar montuur. De man trekt zijn broek uit en bukt zich. Solomon gaat aan het werk. Zijn doel is een dodelijke ziekte op te lopen, zodat hij een excuus heeft om zelfmoord te plegen. Elders, in een seksclub in Manhattan, 5 uur 's ochtends, doet de kunsthandelaar en filmmaker Behrman, stijf van de cocaïne, een stripteaseshow voor mannen. Met een man van middelbare leeftijd gaat hij mee naar huis, die hem bekent dat hij wurgfantasieën heeft.

Intussen, 's nachts in een hotelkamer elders in Manhattan, slikt journaliste Wurtzel Ritalin, ze snuift cocaïne, gebruikt heroïne en bekijkt pornofilms met Ben, een getrouwde man. Daarna laat ze zich suf neuken, hoewel ze haar benen liever niet toont aan haar trouweloze minnaar. Ze zitten onder de snijwonden en beschadigingen.

Bij More, Now, Again heb je het na twee hoofdstuken wel gezien. Je raakt geïrriteerd door al dat slikken, snuiven en spuiten, door al het navelstaarderige zelfbeklag dat pagina's lang structuurloos doorgaat. Van Electroboy en Demonen van de middag gaat daarentegen een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit, vergelijkbaar met de succesvolle autobiografische roman over het lijden van Dave Eggers met ook al zo'n pakkende titel, A Heartbreaking Work of Staggering Genius.

Persoonlijk en openhartig schrijven lijkt tegenwoordig vooral mannen schouderklopjes op te leveren. Joyce Carol Oates liet in de The New York Times Book Review weten dat ze The Noonday Demon `ontroerend' en `provocatief' vond; Electroboy is om zijn openhartigheid geprezen. Dave Eggers' A Heartbreaking work of Staggering Genius werd vorig jaar in deze krant geroemd om zijn `genadeloze zelfontleding', `het gebrek aan cool en ironie' en de `dwangmatig reflexieve, zelfrelativerende houding'. De Groene Amsterdammer meldde, zo rond dezelfde tijd, enthousiast dat nu ook de Nederlandse non-fictie een opmerkelijke verandering doormaakte: het objectieve, on-persoonlijke en academische essay was een zachte dood gestorven en zou plaats hebben gemaakt voor `persoonlijk, ontboezemend, schaamteloos openhartig, hard, keihard, boos en bloedeerlijk' werk van hedendaagse essayisten als Hugo Bousset, Bas Heijne, Eric de Kuyper, Tonnus Oosterhoff en Tom Lanoye. Bewonderd worden ze, deze blanke, westerse, goed opgeleide witte mannen, applaus krijgen ze, omdat zij zich geëmancipeerd en kwetsbaar durven tonen door hun emoties te uiten.

Historisch gezien is het vrouwelijk psychisch lijden vaak gekoppeld aan `hysterie' en zullen we vrouwelijke depressie, ook vandaag de dag, vaker aanzien voor `aanstellerij'. Bij vrouwen zal bij dezelfde `schaamteloze openhartigheid' eerder worden gesproken van `zelfbeklag' (zoals bij Anja Meulenbelts Blessuretijd, over haar depressies en worsteling met het ouder worden) en ergert men zich aan het gebrek aan ironie en humor. Een enkele keer waardeert men de openhartigheid, maar dan zal al gauw worden toegevoegd dat het niet om een literair hoogstandje gaat (zoals bij Emma Brunts Breinstorm). Soms wordt het boek zelfs nauwelijks opgemerkt. Men vergelijke Solomons boek met Klein Leed, een autobiografisch verslag van depressie door journaliste Betsy Udink, een boek dat vorig jaar, ongeveer gelijktijdig met The Noonday Demon, in Nederland verscheen. Het boek cijfert zichzelf al weg met de titel en de omvang. Terwijl Solomon zijn depressie omschrijft als een `ernstige ziekte', en er een verslag van bijna 600 pagina's aan wijdt, spreekt Udink van `klein leed', want vergeleken bij `de grote rampen in de wereld' is haar leed `individueel' en `verwaarloosbaar'.

Mogelijkerwijs verklaart de traditie in het denken over vrouwelijke depressie ook de weerstand die alom gevoeld wordt bij Wurtzels More, Now, Again – genadeloos neergesabeld in de pers. Onbewust keurt men de schaamteloze zelfvergroting, haar verheerlijking van zelfdestructie, het zwelgen in `de slachtofferrol', haar toevlucht tot drugs en porno gemakkelijker af omdat ze een vrouw is; haar depressie wordt als minder `cool' en `serieus' ervaren.

Vreemd is dit verschil in waardering wel, want in feite verschillen Electroboy en Demonen van de middag niet zo veel van More, Now, Again als het gaat om schrijfstijl en een talent voor zelfvergroting. In zijn verslag, dat meer manic dan depression is, beschrijft Behrman in vlot proza hoe hij al zijn geld erdoor jast, een work- en sexaholic wordt, dag en nacht op pad is en niet in staat is zinvolle en duurzame relaties op te bouwen. Op driekwart van het boek gaat zijn oppervlakkige dit-is-het-snelle-leven-in-Manhattan verslag vermoeien – vooral omdat ook het op de achterflap beloofde verslag over de elektroshocktherapie maar een zeer kleine rol speelt in het boek. Nadat hij in de gevangenis terecht is gekomen voor kunstfraude, wordt hij door een arts gediagnosticeerd als `manisch depressief'. Het effect van deze diagnose is dat het Behrman vrij pleit van navelstaarderij: leek het boek eerder een steeds holler wordende verslag van een mislukte kunstenaar, nu weten we dat hij aan een ernstige ziekte lijdt, die bovendien, zo suggereert zijn familiegeschiedenis, genetisch is bepaald. Behrman schrijft dat hij wanhopig probeert in zijn manische toestand te blijven, omdat een depressie het idee dat zijn manische leven een kunstzinnige levensshow is als een illusie zal ontmaskeren. Het uitblijven van verslagen over zijn depressie werkt nu als een pijnlijke leegte. Behrman weet bovendien dat hij een risicio neemt met weer-een-memoir en blaast in zijn manische machteloosheid zichzelf en zijn boek op tot een schreeuwerige cartoon waar je ook een beetje om kan grinniken. `Het is allemaal waar' staat er op de achterflap en `Andy Behrman was Superman'. Op zijn al even cartooneske website tref je de `Am I Manic Quiz' aan.

Anders dan Behrman beschrijft Solomon uitvoerig zijn downs. Juist in de perioden dat het `ik' niet aanwezig wil zijn, wordt `ik' het meest gebruikte woord dat pagina na pagina vult: `Ik heb de behoefte mijn obsessie voor mezelf met iemand te delen. Ik ben me daar in mijn huidige leven zo van bewust, dat ik ineenkrimp elke keer dat ik de I-toets indruk (Au, au).' Ondanks het verlangen om zichzelf tijdens een depressie afwezig te maken, ontstaat zo een uitvergroting door zelfverkleining. Deze uitvergroting van het lijden geeft Demonen van de middag datgene wat Solomon wetenschappelijke teksten verwijt: een pornografische perverse kwaliteit. Met name in de fysieke fascinatie voor vrouwelijke patiënten, bijvoorbeeld Angel, een patiënte die zichzelf beschadigt en wier buik `een lappendeken van littekens' is, zien we Solomon met de schaamteloze obsceniteit van het vergrootglas te werk gaan: `Haar oogleden zijn samengetrokken doordat ze er brandend sigaretten tegenaan heeft gehouden. Haar haar is dun doordat ze het steeds uittrekt, en haar tanden zijn voor een deel weggerot als bijwerking van haar medicijnen – een chronisch droge mond kan tot tandvleesontsteking leiden. Op het moment bestaan haar voorgeschreven medicijnen uit: Clozaril, 100 mg, vijf per dag; Prilosec, 20 mg, een per dag; Seroquel, 200 mg, twee per dag; Ditropan, 4 mg, vier per dag; Lescol, 20 mg, één per dag; Buspar, 10 mg, zes per dag; Prozac, 20 mg vier per dag; Neurontin, 300 mg, drie per dag; Topamax, 25 mg, een per dag; Cogentin, 2 mg, twee per dag.'

Dat we de (auto-)pornografie van Solomon toch beter verdragen dan die van Wurtzel en Behrman, komt omdat Demonen van de middag als enige uit weet te stijgen boven de `memoir'. Solomon verweeft zijn persoonlijke ervaringen met een groots opgezet journalistiek onderzoek naar de politieke en culturele betekenis van depressie in de hedendaagse cultuur. In twaalf hoofdstukken met titels als `behandelingsvormen', `verslaving', `geschiedenis' en `zelfmoord' – in totaal bijna 600 bladzijden –, geeft Solomon een indrukwekkend overzicht van vrijwel alles wat maar met depressie te maken heeft. Hij houdt het bovendien niet bij literatuurstudie, maar toetst al het geschrevene aan de praktijk. Jarenlang correspondeerde hij met depressieve mensen en interviewde velen van hen voor zijn boek. Hij bezocht diverse landen, onder andere Senegal, Groenland en Cambodja, om met de bevolking te praten over de vormen van depressie in deze culturen; ook probeerde hij vrijwel alle therapieën en middeltjes die voorhanden zijn, van cognitieve gedragstherapie (`aangeleerd optimisme') tot een Emotions Anonymous Meeting, van Sint-Janskruid tot New-Age massage.

Demonen van de middag, zo schrijft Solomon in de inleiding, is ontstaan uit het verlangen om alle perspectieven op depressie te ordenen – en zo lijkt zijn manisch ambitieuze boek een therapeutische poging om controle te krijgen over zijn ziekte, en een manier om aandacht en erkenning te verwerven. Met succes. `Depression has been my big career break', grapte Andrew Solomon in diverse interviews. `I'm a celebrity depressive.' Precies in die formulering schuilt een mogelijke verklaring voor het waarom van depressie-bekentenisliteratuur. Het schrijven en het aanwezig stellen van het ik op papier is een poging tot het verwerven van bestaansrecht: ik ben kunstenaar, ik schrijf, dus ik ben er nog, ik tel mee, ik word door anderen opgemerkt. Ook negatieve publiciteit is een vorm van aandacht. Behrman bijvoorbeeld beschrijft in detail hoe hij opleeft van alle publiciteit rondom zijn fraudeschandaal. Dat gegeven zien we ook in Dave Eggers' A Heartbreaking Work of Staggering Genius, waarbij de lijdende en behoeftige verteller probeert aandacht te krijgen door in een reality-soap te komen. Succesvol en beroemd zijn, zo schrijft Solomon, is echter geen recept voor genezing van depressie. Sterker nog, juist deze mensen zijn depressiegevoelig; zodra de belangstelling wegzakt, neemt de depressie weer toe. En zal men opnieuw proberen aandacht te trekken via de wegen die men kent en die succesvol bleken; in Wurtzels geval betekent dat weer een boek over haar depressie en een Hollywood-verfilming van haar eerste boek, een vorm van zelfvergroting die opnieuw een reactie van afschuw oproept.

De literaire en maatschappelijke waardering voor de coming out van de mannelijke depressievelingen heeft mogelijkerwijs te maken met de romantische wortels in het denken over mannelijk lijden. Solomon zelf wijst op de koppeling van genialiteit en depressie in de traditie van de Duitse filosofie en literatuur, waarbij depressie niet de voorwaarde tot inzicht wordt, maar het inzicht zelf (niet voor niets gaan het lijden – `Heartbreaking' – en genialiteit – `Genius' – samen in de titel van Dave Eggers' roman). Bij Solomon ontstaat soms de indruk dat hij zijn eigen lijden enigszins verheerlijkt. `Als je deze pagina's aandachtig hebt gelezen, kun je eruit leren hoe men depressief is: wat je moet voelen, wat je moet denken wat je moet doen,' schrijft Solomon, als ware het een aanbeveling. `Ik houd van mijn depressie', voegt hij eraan toe. Bij Berhman druipt de romantisering van zijn aandoening van de pagina's af; hij ziet schitterende `cartooneskse kleuren', hoort `kristalhelder' en het leven lijkt zich af te spelen op een `levensgroot filmdoek'. `Ik geef toe', schrijft hij, `er valt veel plezier te beleven aan manie.' Mogelijkerwijs verklaart deze romantisering waarom de boeken zo hongerig worden afgenomen door tal van kopers die zich herkennen in de wanhopige schreeuw om aandacht: ze geven je het gevoel dat je bijzonder bent, ook of juist wanneer je depressief bent.

De omslagen van de boeken passen perfect bij de leeservaring. Wurtzels boek ziet eruit als een soort doodskist: zwart, zwaar en depressief makend. Achterop staat een paginagrote foto van haarzelf in een sexy-depri Nico-look. Helaas draagt deze foto ook weer bij aan de weerstand die dit boek oproept: het oogt als een zelfgenoegzame, commerciële poging om aandacht en kopers te trekken. Behrmans boek toont een Andy Warhol-achtige tekening op de gifgroene voorkant van een jongen met elektroden op zijn hoofd, even wild als het proza. Op de Amerikaanse versie van Solomons boek is een zonsverduistering afgebeeld, het Nederlandse omslag laat een surrealistisch schilderij zien van de Giorgio de Chirico. Het ziet er wat beschaafder uit, wat wetenschappelijker.

De kracht van Demonen van de middag ten opzichte van More, Now, Again en Electroboy, zit hem uiteindelijk niet in een betere of bijzondere literaire kwaliteit, maar in de toegankelijke en meeslepende maniakale en reflexieve wijze waarop Solomon een brede waaier aan perspectieven op depressie vermengt met zijn autobiografische verhaal, en, niet te vergeten, in de therapeutische waarde van het boek. Anders dan More, Now, Again en Electroboy, pakt het effect van Demonen van de middag, ongeacht de stemming waarin je verkeert, positief uit. Wie zich opgewekt voelt, wordt – vreemd genoeg – nog opgewekter van dit boek. Het gedetailleerde verslag van Solomons depressie heeft een cabareteske kwaliteit die onbedoeld op de lachspieren werkt, omdat hij, en dat is kenmerkend voor depressie, de proporties uit oog verliest. `Als ik zelfmoord pleeg, hoef ik het dak niet te repareren of het gras te maaien of een douche te nemen.' Niet alleen de opgewekte mens fleurt op van dit boek, ook de droevige mens montert ervan op. Hij of zij zal alle informatie net zo gretig opslurpen als de auteur haar heeft verzameld. Met een beetje geluk verbleekt de eigen ellendigheid bij de rampzalige gevallen van depressie in dit boek. Wanneer Solomon pagina's lang worstelt met de vraag naar de functie van depressie, dan weet men als lezer allang het antwoord: dat het ons dit soort bijzondere boeken oplevert.

Andrew Solomon: Demonen van de middag. Een persoonlijke geschiedenis van depressie. Vertaald door Tinke Davids. Anthos, 584 blz. €37,55. Oorspronkelijk: The Noonday Demon. An Anatomy of Depression, Chatto & Windus, 560 blz. €18,55 (pbk)

Andy Behrman: Electroboy. A Memoir of Mania. Penguin/Viking, 280 blz. €22,20. De Nederlandse vertaling verschijnt in mei bij Ambo.

Elizabeth Wurtzel: More, Now, Again. A Memoir of Addiction. Simon & Schuster, 334 blz. €31,95