Palestijnse economie stort in

Na ruim anderhalf jaar intifada, de opstand tegen de Israëlische bezetting, verkeert de economie van de Palestijnse gebieden in een diepe recessie. Het inkomen per hoofd van de bevolking nam in 2000 al af met 12 procent; in 2001 kromp het met 19 procent. Het deel van de bevolking dat onder de armoedegrens leeft van 2 dollar (2,29 euro) per persoon per dag, bedraagt nu tussen de 45 procent en 50 procent.

Dit schrijft de Wereldbank in een vandaag vrijgegeven rapport over de Palestijnse economie. De directe fysieke schade van het conflict bedraagt volgens de Wereldbank 305 miljoen dollar, maar de schade aan de economie als geheel is bijna acht maal groter dan dat. Het inkomen per hoofd is nu lager dan in 1994. Als hoofdoorzaak van de schade geeft de Wereldbank het regelmatig afsluiten van de gebieden door Israël en de strakke controles. Daardoor stokt de stroom van goederen van en naar de gebieden en wordt de interne communicatie sterk gehinderd.

De werkloosheid is inmiddels opgelopen van 10 procent tot 26 procent. Tegen de 80.000 Palestijnen zijn hun baan kwijt in Israël, en nog eens 60.000 verloren werk in de Palestijnse gebieden zelf. De Palestijnse Autoriteit, de effectieve regering, is zo goed als bankroet en stond eind 2001 voor 430 miljoen in het krijt, voornamelijk bij commerciële leveranciers.

De Palestijnse gebieden krijgen overigens forse financiële hulp van buiten, vooral van Arabische landen en in mindere mate van de Europese Unie. In 1999 werd voor 482 miljoen dollar aan hulp daadwerkelijk overgemaakt, vooral in de vorm van budgettaire steun voor de Palestijnse Autoriteit. In 2000 liep dit bedrag op tot 549 miljoen dollar en vorig jaar tot 929 miljoen.

De Wereldbank waarschuwt dat als de afsluiting nog langer voortduurt, de steun onvoldoende zal zijn om de Palestijnse economie te behoeden voor een algehele ineenstorting. Zelfs als er een politieke oplossing komt voor het conflict, zal het op zijn minst twee jaar duren voor de economische schade is ingelopen.