Kost en Inwoning

Er is beroerde poëzie en er is magistrale poëzie, maar de meeste poëzie bevindt zich daartussenin op het sympathieke middenveld, waar zich de dichters bewegen die net te goed zijn voor de vergetelheid of net te slecht voor een vermelding in de literatuurgeschiedenis. Het veld ook van dichters die een beslissende invloed uitoefenen op collega's die zich zullen ontpoppen tot magistrale dichters, waarna ze zelf in de schaduw verdwijnen. Het veld van de dichters van een paar geslaagde regels of van de zomaar sympathieke dichters.

Je hebt niks aan de sympathie van dichters. Maar zonder de humus van de talloze sympathieke gedichten zou de top van de poëzie niet bestaan. Al laat een sympathiek gedicht je uiteindelijk koud, het zit goed in elkaar en het ergert je niet. Als beroerde poëzie op ons neerdaalt als lauwe pis en magistrale poëzie als manna, dan is sympathieke poëzie een niet aflatende motregen.

Sommige dichters gaan prat op hun miezerigheid. Die stáán erop om tot het grijze middenveld te behoren. Is het uit angst om uit de toon te vallen? Is het uit zelfkennis? Op de flap van de derde of vierde bundel van Marc Tritsmans lezen we: `Het is ondertussen wel duidelijk dat de dichter zich niet wenst te verschuilen achter gezochte complexiteit of achter het (vaak al te gemakkelijke) masker van de ironie.'

Marc Tritsmans is dus niet complex en toch niet gemakkelijk. Sympathiek.

Intussen blijft het een beetje raar, een dichter die Zich Niet Wenst te pomp-pom-pom. Wat heeft een dichter te wensen? Hij heeft maar te schrijven om achteraf te merken hoe complex of ongemaskerd het uitvalt.

De stille boodschap van de flaptekst is duidelijk: de dichter wil niet tot een kamp behoren, met als gevolg dat hij nergens bijhoort. Hij wil iedereen te vriend houden, met als gevolg dat hij strandt op het naamloze, verschrikkelijk sympathieke middenveld.

Nu valt het met de middelmatigheid van Tritsmans' poëzie zo spontaan complex en zo moeiteloos onironisch wel mee. Het is ouderwetse poëzie met een modern tintje, heldere poëzie zonder te veel gemakzucht, het zijn rijmende gedichten waaraan het rijm ontbreekt, ernstige gedichten zonder poeha verzen met de spontaniteit van een herkauwer en het parlando van een bedachtzaam spreker. Van alle goeie dingen een beetje.

Wat we hier zien is de top van de middelmaat, de sub-goeie poëzie, de poëzie die overal welkom is en overal welkom wil zijn.

Tritsmans is de kleine meester voor wie zich geen echte Kouwenaar of Kal aan de muur kan veroorloven. Complex, maar niet te. Ironisch, maar niet heus.

Als alle kleine meesters kent hij een beperkte, intrigerende thematiek, die fijntjes en met kleine variaties wordt uitgewerkt. Hoe kijken wij het verleden in? Hoe kijkt het verleden onze tijd in? Wie kijkt wie dood? Wie kust wie wakker?

In dit gedicht, Sloop, wordt opgeroepen tot mededogen met een huis onder de slopershamer, met muren waarop het bloempjesbehang van vroeger en de plek van het kruisbeeld nog zichtbaar zijn. Nu pas verdwijnt de warmte van de doden uit de kamers en hun woorden zijn nog niet definitief vervluchtigd. Heb genade. Streel de versleten tafel. Spaar het schommelpaard op zolder

want het leeft nog

de laatste regel komt het hardst aan, want het schommelpaard was nu juist de enige bewoner die nooit heeft geleefd.

De dichter komt in al zijn bundels op dit thema terug. In een gedicht dat Een kamer met uitzicht heet kijkt iemand door een dakraam `lichtjaren ver' de nacht in, zó ver terug in de tijd dat hij geniet

van een uitzicht op niets minder

dan onze eigen onbeduidendheid

het begint met de afbraak en het eindigt met niets. In Herbarium laat hij een tussen twee vel perkament gedroogde klaproos, die eeuwen her naast een vrijend paar in een korenveld stond te bloeien, triomfantelijk herrijzen om door ons bekeken te worden, vol zinnelijke herinneringen die wij haar toedichten. Dit tweerichtingsverkeer wordt een cyclische beweging in het gedicht Oogopslag, uit weer een andere bundel. Precies zoals wij nu, zo zagen de holenmensen de Matterhorn, heet het daar. En precies

ditzelfde landschap zal zich tonen

wanneer mensheid als een dun maar

koppig laagje overmoed van de

eeuwigheid is afgeschraapt. Maar

om door wie te worden bekeken.

Een cyclische beweging met een zwart gat. In Ontmoeting gaat het weer om het simultane van het ongelijktijdige. Een fossiele schelp en oeroud pyriet en een gepolijste kei uit diverse windstreken en perioden worden door elkaar gegooid Maar `het is vandaag en hier' en de dichter heeft `lak aan afstand en miljoenen jaren'. Het staat hem vrij met zijn `nietigste' hand de samenhang van de wereld `godsonmogelijk' door elkaar te gooien.

Ruik ik hier een stokpaardje van het postmodernisme? De kurk waar het poëtische middenveld op drijft?

Hoe dan ook, met het gedicht Leeg huis waarin de dichter op de overloop een belknop betast zonder erop te drukken, zodat hij de illusie kan handhaven dat alles daarbinnen in de kring van warmte bewaard kan blijven, de vertrouwde bewegingen en woorden, zijn we terug bij ons gedicht Sloop.

Zolang we het gestommel van de doden niet horen, kan het gestommel nog beginnen.

We moeten veinzen om aan de dood te ontkomen en leren het veinzen van de dood. Heb genade.