Japanse bouwers ploeteren door

Ondanks de dalende vraag naar gebouwen in Japan blijven ontwikkelaars maar door bouwen. Het is werkverschaffing voor elders geloosd personeel; een op de tien Japanners is bouwvakker. En met een sanering erkent de politiek een jarenlang falend beleid.

Glimmende kantoorkolossen groeien dezer dagen uit de modder van het voormalige Shinbashi rangeerterrein in centrum Tokio. Ze geven de indruk dat er in Japan een flinke vraag naar nieuwe kantoorruimte is en de economie dus niet al te slecht loopt. Ook op andere plaatsen rijzen bouwkranen hoog in de lucht, maar volgens onroerend goed taxateur Akiyoshi Inoue bedriegt de schone schijn. Nieuwbouw op een goede locatie is wel een aantrekkelijke optie voor projectontwikkelaars, meent Inoue, omdat grondprijzen al meer dan tien jaar dalen en financieringskosten te verwaarlozen zijn – de officiële rente staat op nul om de economie te stimuleren. ,,Maar er is geen enkele groei van de vraag'', zegt Inoue. ,,De klanten komen allemaal uit oude gebouwen. Bij andere producten daalt het aanbod als de vraag laag is. Niet bij onroerend goed. Ik verwacht dat de onroerend goedprijzen de komende vijf jaar alleen maar verder blijven dalen, wellicht een halvering.'' De enige manier die Inoue ziet om prijzen te stabiliseren is ,,bedrijven verplichten een gebouw te vernietigen als ze nieuw willen bouwen''.

De bouw is een extreem grote sector in de Japanse economie. Tijdens de `zeepbel' bedroegen bouwinvesteringen ruim 18 procent van het bbp, en ondanks forse dalingen vorig jaar nog altijd ruim 13 procent. Dit percentage ligt onder 10 procent in de meeste andere industrielanden. Bouwbedrijven zijn belangrijke financiers en stemmenleveranciers voor de regerende Liberaal Democratische Partij met 10 procent van de beroepsbevolking in dienst. Op een verkiezingsbijeenkomst van de LDP lopen altijd arbeiders rond die zijn gekomen ,,op verzoek van de baas''. In ruil hiervoor delen de politici publieke bouwprojecten uit.

Tegelijkertijd is de sector bij gebrek aan goede sociale voorzieningen een vorm van werkverschaffing voor elders geloosd personeel. Terwijl het langzaam slechter ging met de Japanse economie groeide het aantal werknemers in de bouw tussen 1990 en 1997 van 6 naar krap 7 miljoen. Naarmate de Japanse overheid zelf het stadium van faillissement naderbij komt en moet korten op openbare werken, werkt ook dit niet meer en is het aantal langzaam gedaald naar 6,5 miljoen afgelopen jaar. Maar nog altijd ruimschoots meer dan tijdens de economische bloei ruim tien jaar terug.

Analist Mark Brown van ING Barings ziet in de huidige bouwwoede in Tokio slechts een tijdelijke fase van verjonging van het bestand. ,,Komend jaar komen er te veel nieuwe appartementen en kantoorruimte op de markt'', zegt Brown, die voor de lange termijn een voortgaande daling van investeringen in de bouw voorziet. Deze daling zette zich al in na het klappen van de `zeepbel' – de hausse in grond- en aandelenprijzen rond 1990. De laatste tien jaar zijn de investeringen in de bouw met 20 procent gedaald.

De bouwsector is het meest in het oog lopende slachtoffer van de 'zeepbel'. Met zo'n 500 faillissementen per maand – eenderde van het totaal – staat de sector bovenaan. Bouwbedrijven halen volgens het ministerie van Land en Transport slechts een bruto winstpercentage van 1,6 procent, de helft van het gemiddelde in het bedrijfsleven. De beurskoers van een hele reeks grote bouwbedrijven ligt onder een euro per aandeel. Wie in 1989 aandelen zou hebben gekocht van het Kumagai Gumi zou vandaag nog slechts 1 procent van zijn investering over hebben. Het aandeel zweeft rond 20 cent. Het grootste probleem is de schulden die zijn overgebleven na grondaankoop tijdens de hausse. ,,Deze grond is vaak waardeloos omdat ze braak land kochten in afwachting van ontwikkelingsprojecten die nooit van de grond kwamen'', zegt analist Toshihiko Okino van effectenhuis UBS Warburg. Omdat de resulterende `slechte leningen' zwaar drukken op balansen van de banken, vraagt iedereen zich al lang af wat er met deze bedrijven gaat gebeuren. Doormodderen? Kwijtschelding van schulden? Faillissement?

In december leek er beweging te komen toen een van de grotere bouwbedrijven, Aoki, failliet werd verklaard. ,,Die hoop is inmiddels verdwenen'', zegt analist Okino nu. Ook het faillissement van Sato Kogyo begin deze maand heeft daar geen verandering in gebracht. ,,Faillissement is politieke zelfmoord voor de LDP'', zegt Okino.

Hoe nu verder? Terwijl er één groot bouwbedrijf failliet ging in de eerste drie maanden van dit jaar, Sato Kogyo, zijn zes bedrijven in het nieuws gekomen wegens gesprekken met banken over het kwijtschelden van schulden. ,,Bij het kwijtschelden van schulden heb ik altijd het gevoel dat het bedrag te klein is'', zegt Okino van UBS Warburg. Haseko, Aoki en Sato Kogyo hebben de afgelopen jaren een deel van hun schuld kwijtgescholden gekregen. In totaal hebben Japanse banken de afgelopen vier jaar de grote bouwbedrijven in totaal 20 miljard euro aan schulden vergeven, aldus ING Barings. Desondanks loopt Haseko weer te bedelen, desondanks zijn Aoki en Sato kopje onder gegaan.

Econoom Richard Jerram van ING Barings heeft onlangs voorgesteld dat er een variant van de Duitse afwikkelingsmaatschappij Treuhand moet worden opgericht. Zoals Treuhand de failliete inboedel van communistisch Oost-Duitsland saneerde, zo zou de Japanse Treuhand de failliete inboedel van Japan moeten saneren. De impliciete garantie die de regering heeft gegeven aan banken die geld staken in zaken die geen geld opleveren ,,is vergelijkbaar met de misallocatie van kapitaal die in communistische staten plaats had'', aldus Jerram.

Het probleem is dat een forse sanering van het bedrijfsleven, om maar niet te spreken over de oprichting van een Treuhand, een erkenning van tien jaar lang falend regeringsbeleid en falende bedrijfsvoering zou inhouden. In plaats van opereren is het beleid van de regering pappen en nathouden, waardoor de problemen voortduren.