`Geen nationaal geschiedenismuseum'

Een apart museum voor de Nederlandse geschiedenis is realistisch noch gewenst. De bestaande deelcollecties in verschillende musea moeten alleen beter op elkaar worden afgestemd. Dit schrijft de Raad voor Cultuur in een advies aan staatssecretaris Van der Ploeg (Cultuur).

Van der Ploeg vroeg de Raad voor Cultuur om een advies over de presentatie van Nederlandse geschiedenis in musea omdat hij het historisch besef in Nederland wil versterken, met name onder jongeren. Ook wilde hij een advies over de plannen van het Rijksmuseum, waar de vaderlandse geschiedenis als aparte afdeling zal verdwijnen. In plaats hiervan komt een geïntegreerde presentatie van kunst en geschiedenis. De plannen van het Rijksmuseum zijn volgens de Raad onvoldoende uitgewerkt om goed te kunnen beoordelen. Wel heeft men de indruk dat het accent meer op kunst dan op geschiedenis zal komen te liggen. ,,De `sacrale' esthetische werking van het object lijkt belangrijker dan de functie van het vergroten van historisch inzicht.'' Gebrek aan relevante voorwerpen wordt een probleem bij een gecombineerde historische-kunsthistorische presentatie voor de 20ste eeuw, voorziet de Raad. Bovendien dreigt overlap met het verzamelbeleid van andere musea.

Ondanks de twijfels over de nieuwe aanpak van het Rijksmuseum, acht de Raad een apart geschiedenismuseum niet nodig. Verspreid over verschillende nationale musea – Rijksmuseum voor Oudheden, Scheepvaartmuseum, Openluchtmuseum, Zuiderzeemuseum, volkenkundige musea – is de Nederlandse geschiedenis voldoende aanwezig. Dit `virtuele nationaal museum' moet alleen nog in samenhang worden ontsloten. Regionale en lokale musea spelen bij het stimuleren van historisch besef een cruciale rol, en zouden daarvoor door de rijksoverheid beter moeten worden beloond, vindt de Raad.

Staatkundige geschiedenis, die in het Rijksmuseum minder aandacht zal krijgen, kan aan bod komen in de `Boulevard van het Actuele Verleden'. Dit prille samenwerkingsplan van het ministerie van OC&W en vijf Haagse erfgoed-instellingen (o.a. Koninklijke Bibliotheek, Algemeen Rijksarchief, Letterkundig Museum) moet een `ontmoetingsplaats' worden voor een breed publiek. Niet door een eigen collectie of een apart gebouw, maar dankzij nieuwe media moeten de collecties van de betrokken instellingen toegankelijker worden gemaakt.