De staat gedaagd in `zaak met een luchtje'

Al sinds 1974 vecht een succesvol kassenbouwer die desalniettemin failliet ging verbeten terug tegen een hele schare van hotemetoten.

Onder grote belangstelling begon gisteren het eerste verhoor in de zaak-Solleveld tegen de Staat der Nederlanden. J.W. Westenberg, voormalig vice-president van de Haagse rechtbank, getuigde bij de Utrechtse rechtbank over zijn betrokkenheid bij deze ingewikkelde en al lang slepende faillissementskwestie.

Arend Solleveld uit Naaldwijk, tot 1974 succesvol ondernemer in kassen voor land- en tuinbouw, zag zijn bedrijf Serco ten onder gaan, wat hij wijt aan nalatig en frauduleus handelen van curatoren, rechters en zijn bank. Zijn advocaat, mr. B.W.M. Zegers, laat ruim tachtig getuigen horen die hier in de loop der jaren juridisch of zakelijk mee te maken hebben gehad. Op zijn lijst met getuigen staan tal van kopstukken uit de Haagse rechterlijke macht en ook verantwoordelijke bewindslieden.

De bonkige ex-kassenbouwer, die zich nadrukkelijk met het verhoor bemoeit, vecht al 28 jaar verbeten voor zijn zaak.

Een summiere opsomming van het voorafgaande: Sollevelds bedrijf raakte in 1973 in financiële problemen, toen zijn belangrijkste afnemer, Grimbergen Poeldijk BV, een vordering van 1,4 miljoen gulden niet kon voldoen. Besloten werd dat Solleveld 51 procent van Grimbergen in handen kreeg. Een half jaar later raakte Grimbergen Poeldijk BV in surseance van betaling.

Onder supervisie van bewindvoerder mr. A. Blankenstein werden in 1974 in allerijl de gelden en bezittingen van Grimbergen Poeldijk BV overgeheveld naar dochter Grimbergen Heerlen, een bedrijf dat zich later ontwikkelde als succesvol kassenbouwer.

Het eind van het liedje was dat Sercon failliet ging. Het dossier waarmee Solleveld hoopte aan te tonen dat zijn meerderheidsbelang de gehele Grimbergen-groep betrof, raakte zoek in het archief van de Haagse rechtbank opzettelijk, naar Sollevelds overtuiging en werd zeventien jaar later teruggevonden op de zolder van de zuster van een Haagse griffier.

De inmiddels 61-jarige Arend Solleveld leefde al die jaren van een minimuminkomen en hij had aan zijn zaak `een dagtaak', waarbij hij financieel werd gesteund door een aantal getrouwen. Vorig jaar kreeg hij bijstand van de stichting Wetenschappelijk Onderzoek Rechterlijke Macht (WORM), die een dik rapport over de zaak opstelde. Hierin wemelt het van curieuze details: van het valselijk opmaken van een proces-verbaal, het wegmoffelen van Sollevelds naam uit een verslag van een crediteurenvergadering tot en met een verdwenen miljoen en vermeende belangenverstrengeling van rechters, curatoren en advocaten.

Een afwikkeling waarbij Sollevelds aanspraak op een meerderheidsbelang in Grimbergen was gerespecteerd, had hem tientallen procedures bespaard. Evenals een veroordeling in 1975 tot vier maanden gevangenisstraf wegens bedrieglijke bankbreuk, een vonnis dat dertien jaar later door de Hoge Raad werd vernietigd.

Solleveld en de stichting WORM concluderen dat Serco in 1974 door Haagse rechters, in nauwe samenwerking met de curatoren en de Amro-bank, in een sterfhuisconstructie is opgeofferd ten gunste van concurrerende kassenbouwers. Alle gegevens die later in die richting wezen, zijn naar hun mening verdonkeremaand. Valt dat de komende maanden voor de Utrechtse rechtbank hard te maken, dan komt Solleveld met een schadeclaim van enkele tientallen miljoenen.

De enige die het laatste woord in deze zaak zou kunnen spreken, A.Blankenstein, is overleden. De geest van deze `bedrijvenchirurg' zweefde dan ook permanent boven het getuigenverhoor met mr. Westenberg. Hij meende dat de afwikkeling van dit faillissement van meet af aan is vergeven van fouten en onvolkomenheden. Toen hij er als hoofd van de Haagse faillissementssectie mee te maken kreeg, vatte hij `sympathie' op voor de zaak-Solleveld. Mr. Westenberg: ,,Ik viel van de ene verbazing in de andere. Het is een menselijk drama, juridisch viel echter niets meer te ondernemen.'' Hij raadde Solleveld dan ook aan de Staat der Nederlanden aansprakelijk te stellen.

De cruciale overeenkomst tussen de curatoren en de bank (de `dading' in 1987) over Serco, gesloten onder werkdruk en slechte persoonlijke verhoudingen, was volgens Westenberg `kwestieus': ,,Bij de curatoren hadden lichten moeten gaan branden; aan deze zaak zat een luchtje.''