Shells slappe strategie

Overnames zijn vaak om strategische redenen noodzakelijk, maar vanuit financieel oogpunt zwak onderbouwd. Bij de aankoop voor 3 miljard dollar door de Koninklijke Shell Groep van Pennzoil Quaker State is precies het omgekeerde aan de hand: de overname is economisch gezien verstandig, maar in strategische zin slaapverwekkend. Hoewel de Brits-Nederlandse energiegigant een premie van 42 procent op de slotkoers van afgelopen maandag moet neertellen voor de Amerikaanse motorolieproducent, wordt die prijs gerechtvaardigd door de 140 miljoen dollar aan synergie voordelen die Shell verwacht. Vermenigvuldigd met een factor 10 en na aftrek van belastingen en een eenmalige last van 100 miljoen dollar, compenseren deze voordelen ruimschoots de premie van 565 miljoen dollar die Shell moet betalen.

Het is niet zo dat deze overeenkomst iedere strategische grondslag mist. Door Pennzoil over te nemen haalt Shell een vervanger in huis voor zijn eigen smeeroliemerk Havoline. Binnen 18 maanden zou Shell het recht verliezen om die merknaam te dragen. Maar Pennzoil is niet het juiste antwoord op de vraag die beleggers het meest bezighoudt: hoe gaat Shell zijn olie- en gasproductie verhogen? Vorig jaar zijn twee opsporings- en productiebedrijven aan de neus van Shell voorbij gegaan – het Amerikaanse gasbedrijf Barrett Resources en het Australische energiebedrijf Woodside Petroleum. Vorig jaar verlaagde Shell ook zijn productiedoelstellingen en meldde het concern een vervangingscoëfficiënt (de hoeveelheid nieuw ontdekte voorraden in verhouding tot de productie), die veel lager lag dan die van zijn concurrenten. Totdat Shell zijn groei vooruitzichten weet te verbeteren, zal geen smeermiddel volstaan om de pijn van de aandeelhouders te verzachten.

Onder redactie van Hugo Dixon. Voor meer commentaar: zie www.breakingviews.com. Vertaling Menno Grootveld.