Nederland is nog lang niet vol

Een debat over migratie is geboden, maar dat moet niet worden gekoppeld aan de stelling dat Nederland vol is. Dat laatste is aantoonbaar onjuist, meent Thijs de Ruyter van Steveninck.

Sinds het succes van de lokale Leefbaarheidspartijen wordt de stelling dat Nederland vol is weer volop gehoord. Herman Philipse (Opiniepagina, 14 maart) stelt terecht dat een open debat over immigratie geen taboe mag zijn. Maar hij heeft ongelijk als hij zegt dat we moeten streven naar een afname van de bevolkingsgroei omdat Nederland vol zou zijn, en dat immigranten in belangrijke mate verantwoordelijk zijn voor problemen die hiermee samenhangen.

Op het eerste gezicht lijken de files, de overvolle treinen, de lange wachtlijsten in de zorg en de stijgende huizenprijzen Philipses gelijk te bewijzen. Nederland heeft met 16 miljoen inwoners op een klein oppervlakte inderdaad een van de grootste bevolkingsconcentraties ter wereld. Maar vergelijkende statistieken kunnen misleidend zijn. Nederland `voelt' misschien vol, maar ìs dat niet, tenminste niet op basis van objectieve maatstaven. Als een regio als `Groot-Londen' als maatstaf wordt genomen, kan Nederland gemakkelijk meer dan 30 miljoen mensen herbergen.

Nederland is weliswaar dichtbevolkt, maar heeft procentueel een veel groter `bewoonbaar' oppervlakte dan de meeste Europese landen. Het heeft geen door koude onbewoonbare delen als Zweden, Noorwegen en Finland, of hooggebergtes als Zwitserland, Oostenrijk en Frankrijk. Vergeleken met agglomeraties als Parijs, Londen of het Roergebied is het aantal inwoners per vierkante kilometer van Nederland niet zo hoog.

Van het Nederlandse oppervlakte wordt bovendien slechts circa 15 procent voor wonen en werken gebruikt, tegen 70 procent voor agrarische doeleinden en 15 procent voor bos en natuur. Er zal veel ruimte vrijkomen als de Nederlandse landbouw ooit nog eens gesaneerd wordt, iets dat op den duur onvermijdelijk lijkt. Wanneer het agrarisch grondbeslag met de helft zou worden ingekrompen, kan het gebied voor zowel wonen en werken als voor natuur en recreatie ruimschoots worden verdubbeld.

Het enige gebied dat misschien overbevolkt kan worden genoemd, is de Randstad. Toch willen veel Nederlanders juist dáár graag wonen, hoewel de huizenprijzen elders een stuk lager zijn. Natuurlijk heeft dat te maken met het feit dat in de Randstad meer werk is dan daarbuiten. Maar dat is geen toeval. Veel bedrijven vestigen zich juist in de Randstad, en niet in dunner bevolkte regio's als Drenthe of Zeeland.

Onderzoek heeft uitgewezen dat in grote agglomeraties de hoge concentraties menselijk kapitaal elkaar aantrekken en versterken, iets dat vooral voor kennisintensieve bedrijven erg aantrekkelijk is. Dat goed opgeleide werknemers de soms duizelingwekkend hoge grondprijzen in steden als Tokio of New York kunnen betalen komt doordat hun productiviteit (en dus hun loon) stijgt naarmate zij dichter bij hun collega's wonen. Voor een deel heeft Nederland zijn welvaart dus te danken aan het feit dat het zo dichtbevolkt is.

Hier komt nog bij dat de werknemers van de PTT indertijd weigerden naar Groningen te verhuizen, ondanks het feit dat er daar een gegarandeerde baan op hen wachtte. Naast het werk spelen kennelijk ook de betere voorzieningen als het culturele- en uitgaansleven in de Randstad een rol. En waarom gaan Nederlanders die willen recreëren zo vaak op zoek naar volle stranden of drukke binnensteden, in plaats van naar stiltegebieden?

Niemand zal ontkennen dat bepaalde problemen bij een hoge bevolkingsdichtheid sterker gaan spelen, maar dat moet niet overdreven worden. In de jaren tachtig van Janmaat was men vooral bang dat de nieuwkomers `onze banen zouden inpikken'. Zoals Jacobse en Van Es van de Tegenpartij, een soort Leefbaarheidspartij avant la lettre, stelden: ,,Er zijn in Nederland 200.000 gastarbeiders en 200.000 blanke werklozen. Rara, hoe ken dat?''. Het is een veelvoorkomend misverstand dat er in een land een constante hoeveelheid banen zou zijn, waardoor elk extra arbeidsaanbod tot een hogere werkloosheid leidt. Immigranten zorgen echter weer voor extra vraag naar goederen en diensten waardoor de vraag naar arbeid meestijgt (mits de arbeidsmarkt redelijk functioneert).

Nu spelen heel andere problemen dan in de jaren tachtig. Men kan zich echter afvragen welke rol immigranten hierbij spelen. Mogelijk heeft Philipse gelijk als hij een verband legt tussen de stijgende criminaliteit en de groei van immigratie uit niet-Westerse landen. Maar dat geldt zeker niet voor alle in deze discussie spelende problemen. Het feit dat er meer woningen nodig zijn is niet zozeer het gevolg van immigratie als wel van `gezinsverdunning', het verschijnsel dat woningen per kubieke meter steeds minder mensen herbergen. Huizen waarin nu alleenstaanden wonen, huisvestten vroeger gezinnen van vijf á zes personen. Ook een falend huisvestingsbeleid speelt soms een rol.

De files zouden minder een probleem zijn met een variabele kilometerheffing, waarbij de gebruiker van in de spits schaarse snelwegcapaciteit hiervoor een prijskaartje krijgt gepresenteerd. Het openbaar vervoer zou beter functioneren als de NS eerder in nieuw materieel had geïnvesteerd.

Zaken als files en overvolle treinen lijken, samen met de perceptie van veel kiezers dat de meeste politici `zakkenvullers' zijn, vormen een minstens zo belangrijke Fortuynfactor als het immigratie- en integratiebeleid. Roepen dat Nederland vol is, kan dan suggereren dat alles automatisch weer goed komt als er maar een immigratiestop wordt afgekondigd.

De door Philipse gesuggereerde oplossingen zijn bovendien weinig praktisch. De bevolkingsgroei laten afnemen kan via beperking van de natuurlijke aanwas of via vermindering van de immigratie. Tenzij we als in China dwang willen toepassen, biedt de eerste mogelijkheid geen uitkomst. Het effect van een afschaffing van de kinderbijslag op de geboortecijfers zal verwaarloosbaar klein zijn. Vrijwel niemand laat tegenwoordig nog de kinderwens afhangen van het al dan niet krijgen van kinderbijslag.

Blijft over het terugbrengen van immigratie. Daarover bepleit Philipse dat partijen aan de kiezer moeten uitleggen hoeveel immigratie ze willen toestaan, uit welke landen en op grond van welke selectiecriteria. Maar als immigratie mogelijk blijft (mits de kandidaten bereid zijn tot hard werken en zich aan Nederlandse normen en waarden aan te passen) dan is Nederland kennelijk toch niet vol.

Het is verstandig om in ieder geval de mogelijkheid open te houden om immigranten binnen te halen voor werk dat Nederlanders niet willen of kunnen doen. De tekorten in de gezondheidszorg worden steeds groter, terwijl door de naderende vergrijzing de behoefte aan zorg langzaam maar zeker stijgt. Jonge Nederlanders willen echter in toenemende mate niet meer in de zorg werken, omdat het niet genoeg betaalt of gewoon omdat het niet 'cool' is. Op termijn is het gestructureerd rekruteren van verplegend personeel in landen als de Filippijnen, Polen of Rusland een kansrijker optie. De kans dat deze zullen bijdragen aan de stijgende criminaliteit lijkt me in ieder geval gering.

Philipse heeft zeker gelijk als hij stelt dat een zakelijk debat over migratie geboden is. Maar dit te koppelen aan de stelling dat Nederland vol zou zijn is niet verstandig, en niet alleen omdat het objectief niet waar is. Belangrijker is dat het de aandacht afleidt van serieuzere problemen die hebben geleid tot de opkomst van Fortuyn. Daarnaast wordt het risico vergroot dat het bepaalde vormen van migratie bemoeilijkt, terwijl die juist kunnen bijdragen aan de oplossingen.

Dr. M.A. de Ruyter van Steveninck is econoom en cultuurfilosoof.