`Galileo' accurater dan GPS

Het satelliet-navigatiesysteem `Galileo' dat Europa in ontwikkeling neemt verschilt in zijn werking niet principieel van het Amerikaans GPS-systeem en het Russische Glonass-systeem. Het voornaamste praktische verschil is dat het ongeveer tien maal nauwkeuriger dan GPS zal zijn en plaatsbepaling tot op een meter nauwkeurig mogelijk maakt. Ook geeft het op hogere geografische breedte (bij de noordpool) een beter `dekking' dan GPS. De bedoeling is het Galileo-systeem geheel combineerbaar te maken met GPS en Glonass.

Plaatsbepaling met behulp van satellieten is een moderne vorm van radionavigatie, zoals dat tot voor kort werd gedaan met systemen als Decca, Loran en Omega. Als het Galileo-systeem operationeel is bestaat het uit 27 satellieten (en drie `actieve' reservesatellieten) die op ongeveer 23.600 kilometer hoogte voortdurend radiosignalen uitzenden. Wie met behulp van deze signalen zijn plaats op aarde bepaalt meet in feite zijn precieze afstand tot een aantal van deze satellieten. De afstand wordt door zijn satellietontvanger berekend uit het aantal microseconden dat een radiosignaal tussen satelliet en ontvanger onderweg is. Daartoe is die ontvanger alleen in staat als hij accurate gegevens heeft over de banen van de satellieten en de tijdstippen waarop zij hun signalen uitzenden.

De gemeenschappelijke plaats van de punten waarop een radiopuls van een satelliet na precies x microseconden arriveert bestaat uit een denkbeeldige bol rondom die satelliet. De gemeenschappelijke plaats van punten waarop een puls van een andere satelliet na precies y microseconden arriveert, bevindt bestaat ook uit een bol, maar een andere. De waarnemer die het ene signaal inderdaad na x seconden en tegelijk het andere na y seconden ontvangt, moet zich wel op de snijcirkel van de twee bollen vinden. Een derde satelliet geeft hem zekerheid over de plaats op die cirkel. Met een vierde vindt hij ook zijn hoogte.

Dat is in een notendop het principe achter de gehanteerde radionavigatie. Om met de gewenste accuratesse radiopulsen te kunnen uitzenden worden de satellieten uitgerust met een soort `atoomklokken' die in Neuchâtel (Zwitserland) worden ontwikkeld. De klokken zullen geregeld vanaf aarde worden gelijkgezet. Voor de begeleiding van de satellieten in hun banen worden `op Europese bodem' (dus misschien ook in Frans Guyana) twee grote Galileo Control Centres gebouwd. Zij zullen baaninformatie ontvangen van 20 Galileo Sensor Stations, verspreid over de gehele aarde. Eind 2004 moet de eerste proefsatelliet de ruimte in gaan, in 2008 moet het systeem operationeel zijn.