Ze zeggen het zelf

Waarom krijgt El-Moumni straks bij zijn geldboete niet meteen een vertaling cadeau van Pim Fortuyns puinruimersboek? Misschien zou het hem helpen bij zijn inburgering, hoewel hij er natuurlijk ook weer een religieus slaatje uit kan slaan: zien jullie wel, gelovigen, dit Nederland is een stinkende bende, een incestueuze, corrupte dictatuur van incompetente zakkenvullers. Ze zeggen het zelf! Het wachten is dan natuurlijk weer op het team van Nova.

Intussen moeten we het doen met de omgekeerde route: allochtonen die `ons' gelijk geven in onze zorgen om El-Moumni en zijn perfide geloof. De jurist Afshin Ellian, afkomstig uit Iran, bepleitte op de televisie maar weer eens uitzetting van de conservatieve imam en aanpassing van de vrijheid van godsdienst, de Somalische Ayaan Hirsi Ali, medewerkster van de Wiardi Beckman Stichting, hekelde in Trouw al eerder de religieuze dictatuur in haar land van herkomst, Kader Abdolah verhief zijn stem, en de schrijver Hafid Bouazza fileerde in twee razende stukken in deze krant de Nederlandse naïveteit en de patriarchale opvattingen over de vrouw in de islamitische wereld.

Belangrijke bijdragen aan het debat, zeker, maar intussen ook al aangeduid als het heroïsche geluid van klokkenluiders uit eigen, dat wil zeggen allochtone kring. Ze zeggen het zelf! En zeker, de ervaringen van een liberale jurist, een Amsterdamse schrijver en een politicologe kunnen ons veel leren – al doet hun kritiek op de Nederlandse naïveteit, gelet op de voortdurende aanscherping van het immigratiebeleid, gedateerd aan. Inderdaad, Nederland heeft geen cultuur van vlammende polemieken en uitgesproken zelfvertrouwen – Fortuyn is ook in dat opzicht een stijlbreuk - maar achter die vermeende naïveteit gaan wel vaak genoeg sterke maatschappelijke dwang en, nog schadelijker, onverschilligheid van de macht schuil.

In de warmte waarmee deze criticasters worden onthaald schuilt overigens een onbehaaglijk element van toeëigening: ze zeggen wat wij willen horen. Want zou de afkomst van allochtone auteurs, die trouwens buitengewoon divers is, niet vooral een openbaring zijn voor wie denkt in stereotypen? Dan zijn `zij' ofwel allemaal achterlijk (maar o wonder, een paar niet!), ofwel allemaal heilig (en dan is een criticus direct een verrader). Geen van beide houdingen lijkt erg vruchtbaar voor inzicht in de huidige situatie.

Zulk verhit groepsdenken is de pest van de wereld sinds 11 september, en niets duidt erop dat de wederzijdse stereotypen aan kracht inboeten. Integendeel. Een seculiere blik op de situatie waarin de islamitische wereld is beland wordt in het opgepijpte intellectuele klimaat in het Westen weggewuifd als muggenzifterij, en anderzijds kolkt de islamitische wereld op haar beurt van de paranoïde clichés over het Westen. Uit het pas verschenen Faithlines. Muslim Conceptions of Islam and Society van de socioloog Riaz Hassan (Oxford), een grootschalige enquête naar het zelfbeeld van moslims in Egypte, Pakistan, Indonesië en Kazachstan, blijkt een breed gedeeld idee dat vooral Amerika en Rusland vijandig staan tegenover de islam. In Egypte werd het streefgetal van duizend ondervraagden niet gehaald omdat de inlichtingendienst zich ermee bemoeide. Het denken in culturele clichés heerst dus aan beide kanten – en zo dreigt het armzalige stereotype alsnog realiteit te worden.

Nog vreemder lijkt het te worden als Pim Fortuyn met zijn geschamper over Ali Baba's ook weerklank vindt onder sommige allochtonen, zoals deze krant zaterdag berichtte. Maar zo gek is dat ook weer niet. Fortuyn appelleert aan een modern, vrijgevochten idee van individueel burgerschap, namelijk met een grote bek: nooit meer wachten voor het loket, maar meteen bediend worden en je middelvinger opsteken naar de dienstdoende ambtenaar. Waarom zou zoiets alleen wrokkige autochtonen aanspreken? Allochtonen, die kampen met de onveiligheid en verpaupering in hun wijken, hebben nog eerder een wereld te winnen.

Het is bovendien een bekend verschijnsel dat generaties immigranten die al binnen zijn en moeite doen om het hoofd boven water te houden, zich uit alle macht verzetten tegen nog meer nieuwkomers. Waar tolerantie een schaars goed wordt, wordt het onvermijdelijk hardhandig dringen bij de ingang. Fortuyn ventileert bovendien een dubbele boodschap, die merkwaardig relativistisch afsteekt bij zijn lofzang op de mondiale zegetocht der moderniteit: we zullen zorgen voor de allochtonen die we in huis hebben, maar verderop in hun eigen cultuur zoeken het zelf maar uit.

Ironisch is het intussen wel. Een allochtone stem voor Fortuyn en zijn kritiek op het establishment, in boekvorm opgestuwd tot een hogere vorm van puinhypen, geeft immers het omgekeerde aan van wat hij over hen suggereert, namelijk hoezeer ze juist willen deelnemen aan de Nederlandse samenleving. Daar schuilt een gretigheid, en een ongeduld, die de paarse partijen onder de hoogtezon van de economische voorspoed zijn vergeten. Wie lang genoeg zijn neus gestoten heeft tegen de stroperige instituties, wordt vatbaar voor de verlokkingen van een relschopper die de boel eens goed wil opschudden. En wie weet, dan liever eentje die in het openbaar tekeergaat tegen buitenlanders maar een jonge Kaapverdiaanse ondernemer op nummer twee zet, dan een ingewijde die de burgemeester off mike iets genitaals toefluistert over Marokkanen.

Een andere reactie uit allochtone kring op het succes van Fortuyn is trouwens ook voor te stellen. Als El-Moumni veroordeeld wordt wegens zijn hatelijke veterinaire metaforen – en als daarmee het beeld postvat dat met integratie een levensbeschouwing strafrechtelijk wordt opgelegd – zal de verongelijktheid in Marokkaanse kring alleen maar groter worden. Als Fortuyn dan onbekommerd met de moderniteitshamer blijft zwaaien, kunnen we de barricades opstellen. Klassenstrijd is een oud begrip, maar het wordt met de dag actueler.

Zal het zover komen? Fortuyns eigentijdse evangelie van montere presteerders is, met zijn combinatie van exhibitionisme, bluf en afkeer van de betuttelende overheid, een nieuw verschijnsel in Nederland – ook très TMF, dit levensgevoel – dat niet in oude politieke categorieën valt te begrijpen. Het spreekt boze mannen aan, jongeren, en ja, ook allochtonen, waarom niet? Ze zeggen het zelf – en Paars staat met een mond vol tanden.