Montenegrijnen weten niet hoe het verder moet

De Joegoslavische republieken Servië en Montenegro bereikten onder druk van de EU een akkoord: ze gaan vooralsnog drie jaar door in een soort unie. In Montenegro jubelt de een en treurt de ander.

De regen spoelt door de straten van Berane, in het noorden van Montenegro. ,,Ooit was dit een prachtige stad'', zegt Jovo Martinovic uit de Montenegrijnse hoofdstad Podgorica. Zijn grootvader was drie termijnen burgemeester van Berane. Maar dat is lang geleden en vandaag kan de mondaine Jovo alleen nog mopperen op het verval van Berane; de flatgebouwen die afbladderen en de paardenpoep die tegen de wieldoppen van zijn auto spat.

Berane is een stad van meelopers. Toen de partizanen na de Tweede Wereldoorlog het bestuur overnamen, bekeerden de Beraners zich rap tot het communisme. En laatst, toen de burgemeester van Berane overstapte van het blok van voorstanders van Montenegro's onafhankelijkheid naar het blok van de tegenstanders, ging een deel van de bevolking opnieuw snel overstag.

De burgemeester heeft geen tijd. Zijn wachtkamer zit vol met mannen, wier dampende leren jassen de ramen doen beslaan. Het zijn de nieuwe overlopers, die dingen naar de gunsten van de lokale machthebber. In juli vorig jaar verliet burgemeester Sveto Mitrovic de regerende DPS van de Montenegrijnse president Milo Djukanovic uit onvrede over diens streven naar een onafhankelijk Montenegro.

In het deze maand gesloten akkoord tussen Servië en Montenegro wordt die onafhankelijkheid voor tenminste drie jaar uitgesteld. Vooralsnog blijven Servië en Montenegro met elkaar verbonden in een soort unie. De burgemeester moet dus een gelukkig man zijn. Onzin, zeggen zijn tegenstanders. De burgemeester had voor zijn vertrek uit de DPS een louter financiële reden; hij zou zijn zakken te weinig hebben kunnen spekken.

Enkele plaatselijke notabelen zijn de burgemeester inmiddels gevolgd: de manager van het bouwbedrijf, de directeur van het veterinaire centrum, de dokter. Dokter Smajo Sabotic is een kleine kwieke man met een wit baardje. ,,Wat is er onder de DPS-regering van Berane geworden'', zegt hij in een van de vele café's van de stad. ,,Eenderde van de beroepsbevolking is gevlucht naar het buitenland, op zoek naar werk. Onze wegen zitten vol gaten. Onze hotels worden bezet door vluchtelingen en politiemannen.''

De dokter bejubelt het akkoord over het voortbestaan van Joegoslavië. ,,Het garandeert een veilige toekomst.'' Een toekomst waarin de handel met Servië wordt geharmoniseerd en waarin de Beraners ongehinderd hun familieleden aan de andere kant van de grens kunnen bezoeken. Het akkoord is een bittere pil voor de Montenegrijnse president Milo Djukanovic en zijn DPS (Democratische Partij van Socialisten), die dit voorjaar een referendum over onafhankelijkheid wilden houden.

Niet dat dokter Sabotic geen Montenegrijnse patriot is. Hij ziet eigenlijk het meest in een plan van de Beweging voor het behoud van Servië en Montenegro, die het kleine Montenegro (ruim 600.000 inwoners) wil verdelen in zes autonome regio's. De pro-onafhankelijken krijgen hun eigen regio's, de pro-Joegoslaven ook. Iedere regio krijgt dan maximaal zelfbestuur, ook financieel.

Hoe, dat weet dokter Sabotica nog niet. ,,Door belasting te heffen en die niet af te dragen aan Podgorica'', zegt hij fier. Maar waarover heft hij belasting als een derde van de beroepsbevolking in het buitenland verkeert, de rest werkloos is en de grootste werkgever van Berane, de zwaar vervuilende papierfabriek, niet eens op halve kracht werkt?

Daar moet zakenman Slobodan Šceric hartelijk om lachen. ,,Natuurlijk, niemand weet hoe het verder moet.'' Het akkoord spreekt van een gezamenlijk defensie- en buitenlandbeleid en van harmonisatie van de economieën. Die verschillen sterk van elkaar. Zo heeft Montenegro lagere belasting- en douanetarieven en hanteert het bovendien de euro als officieel betaalmiddel. In Servië betaalt men met de Joegoslavische dinar.

Slobodan Šceric is manager in een explosievenfabriek. Het is een typische, ondoorzichtige Montenegrijnse constructie: deels staat, deels privé, deels onbekend, en ,,we verkopen aan iedereen die ons geld geeft''. Servië is de belangrijkste afnemer.

Zakelijke problemen zijn er genoeg, vooral met financiële transacties tussen Servië en Montenegro. De Servische klant betaalt het Montenegrijnse bedrijf via een Duitse bank. Maar die Duitse bank rekent natuurlijk commissie. ,,Een dure aangelegenheid'', zegt Šceric.

En dan gelden er nog andere restricties. Nemen de Montenegrijnen suiker, olie of meel mee uit het naburige Servië, dan moeten ze belasting betalen aan de Serviërs. Die belasting hebben ze overigens aan zichzelf te danken; lange tijd voerden de Montenegrijnen deze door de Servische staat gefinancierde etenswaren in om ze voor grof geld door te verkopen aan Albanezen in buurland Albanië.

Šceric' zoon Balša kan er nog steeds niet over uit. Hij studeert in het Servische Kruševac voor arts. Daar hoorde hij van het akkoord over het voortbestaan van Joegoslavië. ,,Ik heb huilend de bus naar huis genomen.'' Pas bij thuiskomst bleken de Servische media hem een verkeerd verhaal te hebben voorgeschoteld; Montenegro had zijn referendum over onafhankelijkheid niet definitief ter zijde geschoven, maar slechts voor drie jaar uitgesteld.

,,Ik wil mijn hand niet ophouden bij het Westen. Ik wil mijn geld op een eerlijke manier verdienen. Dat kan het beste in een onafhankelijk Montenegro.'' Niet dat Balša een hekel heeft aan Servië. Verre van. Bij het horen van de naam Belgrado klaart zijn gezicht op. Hij heeft er een jaar gestudeerd. Hij staart naar de afbladderende flatgebouwen en de overstromende waterputten van Berane. ,,Wat zou ik graag in Belgrado zijn.''