Inburgeren

De samenleving is ook in theorie al geruime tijd niet maakbaar meer. Mensen gaan zoveel mogelijk hun eigen gang. Maar voor sommige mensen wordt het maakbaarheidsideaal nog wel van toepassing verklaard: voor immigranten.

Toen in 1998 de inburgeringscursus voor `nieuwkomers' verplicht werd gesteld, waren de verwachtingen dan ook hoog gespannen. Té hoog gespannen, wist menig docent toen al uit eigen ervaring. Dat blijkt nu ook statistisch. Volgens een onderzoek van bureau Regioplan onder duizend immigranten die zich sinds de nieuwe wet hebben moeten laten inburgeren, blijkt dat circa twintig procent van de deelnemers de cursus niet afmaakt en dat van de doorzetters slechts 15 procent na afloop de Nederlandse taal voldoende beheerst om op eigen kracht verder te kunnen. De rest (60 procent) spreekt na de cursus nog maar amper Nederlands dan wel (25 pct) net voldoende om een pakje sigaretten of melk te kopen.

In de Tweede Kamer wordt vandaag de inburgeringswet geëvalueerd. Het draait daarbij om de vraag: wat nu? Want het verplichte programma kost veel: 250 miljoen euro op jaarbasis.

Het staat buiten kijf dat er verder moet worden gesleuteld aan de uitvoering van de wet. Een vijfde laten afvallen is te veel, een kwart wel enigszins succesvol doorgeleiden naar werk of opleiding is te weinig. Discussiëren over de representativiteit van het onderzoek door Regioplan dan wel de inmiddels aangebrachte verbeteringen, is niet bijster zinvol. De schroeven moeten worden aangedraaid om een hoger rendement te kunnen halen. Taalvaardigheid is en blijft een `conditio sine qua non' voor integratie.

In Nederland is dat (te) laat onderkend, en de achterstand moet worden ingelopen. Het voornemen van minister Van Boxtel (Grotesteden- en Integratiebeleid) om cursisten financiële voorwaarden te stellen (het lesgeld van 6.000 euro zelf betalen en na afronding pas terugkrijgen), is derhalve een begin, mits de immigranten dan ook enige vrijheid hebben om hun eigen weg in cursusland te zoeken. Het idee van het CDA om de inburgering niet te laten monopoliseren door de Regionale Opleidingscentra is in het verlengde hiervan eveneens de moeite waard. Wie zelf betaalt, moet ook zelf enigszins kunnen beslissen.

Succes is daarmee overigens niet verzekerd. Het is namelijk een mythe te veronderstellen dat alle nieuwkomers hetzelfde basisniveau hebben en dus door identieke molens kunnen worden gehaald. Het probleem met de inburgering is juist dat de verschillen tussen de nieuwkomers zo groot zijn. Er zijn halve analfabeten die naar Nederland komen en hele academici die hetzelfde doen. Beide categorieën op vergelijkbare manier behandelen, frustreert zowel de immigrant die nauwelijks in zijn of haar eigen taal kan lezen en schrijven, als de nieuwkomer die als chirurg of mathematicus een opleiding heeft afgerond. Eigen verantwoordelijkheid voor de migranten is dan ook gewenst, inclusief het evenwicht tussen sanctie en beloning dat daarbij hoort.

Maar daarbij mag het in de parlementaire discussie niet blijven. Hoewel taal een cruciale rol speelt bij de integratie van migranten, is er ook nog zoiets als een sociale kwestie. Taalvaardigheid is een instrument om succesvol stappen op de maatschappelijke ladder te kunnen zetten: naar een baan, een huis en een opleiding. Als het gaat om de lagere sociale groepen in de samenleving is de trits werken-wonen-scholen niet voor niets al honderd jaar een adagium voor liberalen, christen-democraten én socialisten.

Zonder inburgering geen emancipatie. Maar realiteitszin en oog voor de verschillen tussen migranten blijven geboden. Allochtone immigranten zijn net zo min naar believen maakbaar als autochtone Hollanders.