Geen baan zonder Nederlands

Vandaag debatteert de Tweede Kamer over de Wet inburgering nieuwkomers. De eerste resultaten van de inburgeringscursussen zijn desastreus. ,,Vindt u haar nou zo slecht Nederlands praten? Ik niet.''

,,Er wordt hier erg veel belang gehecht aan het Nederlands'', zegt de Noorse Maren (25). Ze volgt inburgeringslessen bij het Regionaal Opleidingscentrum (ROC) in Capelle aan den IJssel. Het groepje dat deze ochtend bijeen is, is atypisch – vrijwel alle deelnemers zijn hoogopgeleid én gemotiveerd. Desalniettemin valt het Nederlands Maren zwaar. ,,Maar ik moet Nederlands leren spreken, anders vind ik geen baan'', zegt ze.

Maren solliciteerde al enkele malen op een baan als sociaal werker, maar kreeg steeds te horen dat zij eerst de taal goed moet leren. ,,Ik begreep het niet, er zijn toch ook buitenlanders in Nederland die sociale hulp nodig hebben?''

Maren en haar klasgenoten krijgen les volgens de Delftse methode. Eerst drie uur les en dan één uur converseren met woorden die ze net hebben geleerd. Tijdens de les komt de Nederlandse cultuur uitgebreid aan bod. Maren: ,,We leren hoe alles werkt, het systeem, de sociale dienst en de provincies.'' Braaf dreunt Jameson (31) op: ,,Utrecht, Zuid-Holland, Noord-Holland, Brabant, Flevoland, Groningen, Limburg.'' Als hij niet alle twaalf provincies kan noemen vullen de andere leerlingen hem aan. Vertel eens wat over water, vraagt de docente aan een leerlinge. ,,Het water uit de lucht of in de zee'', wil zij vervolgens weten. Tun Aung (35), chemisch ingenieur uit Birma, weet nog niet wat voor werk hij in Nederland kan doen. Hij is acht maanden in Nederland en spreekt de taal redelijk. ,,Als ik niveau 2 heb afgerond, ga ik door naar niveau 3 en dan 4 en dán kan ik misschien werk vinden'', zegt hij.

Maren en haar klasgenoten vormen een minderheid met hun hoge opleiding. Van de deelnemers aan de verplichte inburgeringscursussen is 60 procent laaggeschoold of helemaal analfabeet. De eerste resultaten van de inburgeringslessen, die dateren uit 1999, zijn dan ook teleurstellend. Van de 17.000 allochtonen die zo'n verplichte cursus (600 lesuren) hebben gevolgd, was slechts 15 procent na afloop `sociaal en professioneel' redzaam. ,,Het grootste deel van de nieuwkomers heeft onvoldoende taalniveau om bemiddeld te worden naar werk of vervolgopleiding'', concludeert het Bureau Regioplan, dat in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken een inventarisatie maakte over het jaar 1999.

Cursisten worden geacht boodschappen te kunnen doen als ze op niveau 2 zitten. Willen ze `met redelijk gemak' eenvoudige gesprekken kunnen voeren, dan moeten ze het Nederlands minimaal op niveau 3 beheersen. Slechts 15 procent haalt dat niveau , dat nodig is om een kans te maken op arbeidsmarkt of vervolgonderwijs. 25 procent haalt niveau 2, terwijl 60 procent van de deelnemers na hun inburgering vrijwel helemaal geen Nederlands spreekt.

De Marokkaanse Farida (19), niveau 2, zou heel graag doktersassistente willen worden, of crècheleidster. Nu zij sinds een jaar weer in Nederland is – ze werd hier geboren maar werd door haar vader naar Nadur gestuurd om Arabisch te leren – volgt zij inburgeringslessen op het Amsterdamse Regionale Opleidingscentrum aan de Spinozastraat. Zij is bijna klaar met het verplichte deel `nieuwkomerstraject'. Of Farida mag doorleren hangt af van de adviezen van het ROC, het stadsdeel en het Centrum Werk en Inkomen (arbeidsbureau).

Volgens de gestelde normen loopt Farida achter. Zij had niveau 2 al voorbij moeten zijn. ,,Vindt u haar nou zo slecht Nederlands praten? Ik niet'', zegt Lotte Neuhaus, directeur van het ROC Amsterdam. ,,Het is zo ongenuanceerd om te zeggen dat je slecht Nederlands spreekt als niveau 3 niet hebt gehaald'', meent Neuhaus.

De directrice is niet pessimistisch. De cijfers van Binnenlandse Zaken dateren uit 1999 en zijn verouderd. De resulten zijn inmiddels flink verbeterd, zegt Neuhaus. De helft van de cursisten stroomt immers door naar een vervolgcursus. En dat de lager opgeleiden meer tijd nodig hebben om de taal onder de knie te krijgen, vindt zij niet meer dan logisch. Zij vindt het vooral oneerlijk dat elke crusist ongeacht opleiding en capaciteit standaard zeshonderd uur les krijgt.

Ook Farida is positief, ze is zelf onder de indruk van haar eigen Nederlands, gezien de omstandigheden. Zij heeft moeite met de verleden tijd, maar kan zich prima verstaanbaar maken. Drie uur Nederlands per dag vindt ze te weinig, thuis spreekt zij zo veel mogelijk Nederlands met haar broers. Haar vader is een Journaal-freak, tot vervelens toe, ,,maar dat helpt ook''.

Ook haar klasgenoot Zaman (24) heeft het meeste ,,buiten'' geleerd. Als een fervente stapper heeft hij veel contacten opgebouwd met andere allochtonen met wie hij in het Nederlands moet communiceren. Net als Farida is ook Zaman in eigen land niet verder gekomen dan de lagere school. Hij wil graag automonteur worden. Hij heeft tenminste niveau 3 nodig, denkt directeur Neuhaus, om de opleiding te kunnen volgen. Waarschijnlijk lukt dat Zaman niet en dus zal hij deze droom moeten opgeven, beseft hij. De studie duurt hem trouwens ook te lang. Het liefst zou hij willen leren en werken tegelijk.

Hoe ontoereikend zij het aantal lesuren ook vindt, Farida is vooral zeer te spreken over het verplichte karakter van de inburgering. ,,Wil je hier leven, moet je goed Nederlands spreken,'' zegt zij. ,,Het is ook goed. Sommige mannen willen dat hun vrouwen thuis blijven, koken en schoonmaken. Ze laten de vrouwen niet naar school gaan. Nu moeten ze wel''.