`Zedeloze' houtoorlog van VS met Canada

De import van Canadees hout in de VS is inzet van een Noord-Amerikaanse handelsoorlog. De VS beschuldigt Canada van illegale houtsubsidies. Canada verwijt de VS protectionisme. `Ze willen onze olie, maar niet ons hout.'

De splinters vlogen ervan af toen de Verenigde Staten en Canada vrijdag een handelsoorlog aankondigden over hout. De twee landen mogen weliswaar 's werelds grootste handelsrelatie onderhouden en beide wereldwijde handelsliberalisering voorstaan, maar uit de felle aantijgingen over elkaars economische praktijken viel dat nauwelijks op te maken.

,,Zedeloos'', noemde Pierre Pettigrew, de Canadese minister van Handel, het besluit van het VS om invoerrechten van 29 procent in te stellen op Canadees halfbewerkt hout. Die beslissing werd genomen nadat Canada, dat door de Amerikanen wordt beschuldigd van illegale subsidies in zijn houtindustrie, stug bleef weigeren om zijn houtexporten naar de VS `vrijwillig' te beperken. Canada exporteert jaarlijks voor ongeveer tien miljard Canadese dollar (7,25 miljard euro) aan hout zuidwaarts, onder meer voor woningbouw.

Volgens Pettigrew is de afgekondigde handelsbarrière, die begin mei van kracht moet worden, een kwestie van ordinair protectionisme ten behoeve van Amerikaanse houtproducenten. ,,Ik betreur het dat de Amerikaanse regering het lef niet heeft gehad om in te gaan tegen protectionistische houtproducenten'', zei hij.

Wat Canada betreft is de maatregel in strijd met het Noord-Amerikaanse Vrijhandelsverdrag (NAFTA) tussen de VS, Canada en Mexico. Ottawa is van plan de kwestie aan te kaarten bij een arbitragecommissie van NAFTA.

Maar volgens de Amerikaanse Senator Max Baucus uit de bosrijke grensstaat Montana heeft Canada de houtruzie volkomen aan zichzelf te wijten. Hij beschuldigt de Canadezen van een ,,Sovjet-achtig systeem'' in hun houtsector. ,,Canada houdt vast aan oneerlijke handelspraktijken die de vrije markt verstoren'', is het commentaar van Baucus.

Inzet van het houtgeschil, dat al tientallen jaren suddert, is de Amerikaanse klacht dat Canada zijn houtindustrie oneerlijk subsidieert. Niet met directe exportsubsidies, maar met vergunningen om bomen te kappen op openbaar land tegen aanzienlijk lagere vergoedingen dan op de Amerikaanse kapmarkt haalbaar is. In de VS wordt overwegend gekapt op land in particulier bezit, door de hoogste bieder.

Volgens Amerikaanse houtproducenten verkopen Canadese deelstaten hun bomen voor een kwart van de Noord-Amerikaanse marktwaarde aan houthakkers – vaak met verlies, uitsluitend om Canadese zagerijen open te houden en werkgelegenheid te handhaven. De tarieven zouden de Canadese houtproducenten in staat stellen hun marktaandeel van 34 procent van de Amerikaanse vraag naar hout te behouden, ten koste van binnenlandse producenten. De nieuwe invoeraccijnzen op Canadees hout zijn bedoeld om deze oneerlijke concurrentie ongedaan maken.

Canada meent echter dat er geen sprake is van subsidies en dat het Canadese kapsysteem niet in strijd is met internationale handelsafspraken. Daarin heeft Ottawa al drie maal gelijk gekregen van eerdere arbitragepanels in het slepende geschil. Nadeel van een nieuwe arbitragezaak is dat dergelijke procedures lang duren. Zodra de invoerheffingen in mei van kracht worden, zal dat onmiddellijk leiden tot ontslagen in de Canadese houtindustrie, die aan ongeveer 100.000 mensen werk biedt.

De Canadese premier Jean Chrétien vroeg zich in reactie op de maatregel van de VS hardop af, of het de Amerikanen ernst is met vrijhandel. ,,We hebben een vrijhandelsverdrag'', zei hij. ,,Ze willen onze olie hebben en ons aardgas, maar ons hout willen ze niet. Ze hebben het niet voor het uitzoeken.''