Wie looft U in het dodenrijk?

Het was op een literaire bijeenkomst tijdens de boekenweek. Een oudere dame zei dat ze het zo knap vond van Anna Enquist om zoveel in de publiciteit te zijn nu, nu ze dat natuurlijk niet wilde. ,,Ze heeft immers vorig jaar haar dochter verloren,'' zei ze tegen een andere dame. Ze keek verdrietig en de tweede dame knikte, en de eerste zei: ,,Jij weet ook wat het is.'' ,,Jij ook,'' antwoordde die. De eerste dame knikte nu. ,,Mijn dochter is vermoord,'' zei ze. ,,In Afrika. Met haar hele gezin.'' Ineens zag ik de foto weer voor me, op de voorpagina van de krant, een jonge man, een jonge vrouw, een kind dat nog aan het leven moest beginnen. Een jaar of acht geleden. Die jonge vrouw met haar open gezicht was dus de dochter van deze vriendelijke en dappere dame.

Er valt eigenlijk niets te zeggen bij een dergelijke gelegenheid, behalve `wat verschrikkelijk' en dat is het ook. Maar het klinkt nogal armoedig. Ik weet niet wat echte mensen doen bij zo'n gelegenheid. Iets hartelijkers stel ik me voor. Ik denk dan vaak aan Levinas en zijn `gelaat van de ander' dat een appèl aan ons doet wat zou hij dan willen dat je deed? Die dingen klinken zo mooi, maar de praktijk is vaak meer onhandig dan verheven.

Troost. Wat een woord. Er is helemaal geen troost voor zulk soort dingen, er is alleen maar tijd. `Time is a fake healer anyhow' schreef de dichteres Stevie Smith, en dat zal wel waar zijn, maar een betere genezer is er nu eenmaal niet.

In het Muziektheater in Amsterdam is op het ogenblik de opera `Dialogues des Carmélites' te zien, van Francis Poulenc, naar een tekst van Georges Bernanos. Het is een ongelooflijk mooie voorstelling, waarin de lotgevallen van een jonge adellijke Franse vrouw verteld worden, die in het klooster gaat vlak voor het uitbreken van de Franse revolutie. De vrouw is bijna voortdurend doodsbang, letterlijk, en ze hoopt rust en kracht te vinden in het klooster. Tijdens de revolutie wordt het klooster opgeheven en de nonnen worden verdreven en uiteindelijk veroordeeld tot de guillotine. De laatste scène van de opera toont de slechts in een wit onderkleed gehulde nonnen die zingend een voor een onthoofd worden wat je niet ziet maar je hoort de valbijl en steeds weer stokt een stem en legt een lichaam zich op de grond. Het is huiveringwekkend en adembenemend prachtig. Op het laatst voegt de jonge hoofdpersoon zich bij haar zusters, vrijwillig. `Veni creator spiritu' zingt ze. En zij, die zo bang was voor de dood, sterft licht en gemakkelijk.

Deze Blanche zegt eerder in de opera: `er is maar één morgen, de morgen van Pasen'. En in één moeite door beweert ze dat er maar één nacht is, de nacht van de allerheiligste doodstrijd. In het klooster neemt ze dan ook de naam `zuster Blanche van de doodstrijd van Christus' aan. Het is allemaal verschrikkelijk, heel dit stuk ademt een doodsdrift waar je koud van wordt. Maar toch zal de bedoeling zijn dat wie die nonnen zingend hun ondergang tegemoet ziet gaan, steeds maar die paasochtend in het achterhoofd houdt.

De ochtend van de troost en de verlossing, van de wederopstanding. Aanstaande zondag is het weer zover.

Hoe kan dat nu troosten. Hoe kunnen moeders van gestorven kinderen daar nu iets aan hebben. Soms lijkt religie wel het vreemdste verzinsel dat er is, en de christelijke meer in het bijzonder. De mensen te willen troosten door ze almaar het lijden en de dood voor ogen te houden en daarbij te zeggen: dit is het einde niet. Dan is de opdracht van Levinas in ieder geval overzichtelijker, want gericht op het leven. Ook in de psalmen zingt men God toe dat hij hem beter in leven kan laten `want in de dood is Uwer geen gedachtenis; wie zou U loven in het dodenrijk?' Pas het christendom gaat door de dood heen, en richt zich op iets dat nog moet komen.

Lang voor haar deze ramp trof schreef Anna Enquist een gedicht dat betrekking had op het vertrek van kinderen uit huis, het afgedankt worden als ouders. Ze verwoordde haar gevoelens daarover nogal hevig: `tussen mij en de dood is niets/ dan een aanzienlijke afstand'. Dat is het gevoel dat iemand bekruipt die niets van het leven meer te verwachten denkt te hebben, er is niets dan tijd die omgebracht moet worden, en dan is er de dood. Leegte.

Het zal een te berustende regel zijn voor het geweld van het verdriet dat een beroofde ouder treft, misschien is het een regel die pas jaren later weer het gevoel beschrijft dat men heeft. En misschien gaat zelfs die regel wel weer voorbij, als gevoel. En hoe melig het ook klinkt, de troost zit zelden in een grote gedachte, maar meer in de momenten dat het leven, en het vermogen om er iets aan te vinden, zich dwars door alles heen kraakt, als een paddestoel in de herfst. Niet tegen te houden. Ogenblikken zijn soms belangrijker dan dat `eeuwige'. Eeuwig is zo onmenselijk.

De paasgedachte is te moeilijk voor iemand die daar niet in opgegroeid is, of er zichzelf alsnog in heeft weten onder te dompelen. En die moeilijkheid zit hem ook in de tijdseenheden waarmee gerekend en getroost wordt. `Dat Koninkrijk van U, komt daar nog wat van?' schreef Gerard Reve. Als er geen ogenblikkelijke wederopstanding is, is er alleen maar de schrale troost van het niet helemaal dood-zijn dankzij de gedachtenis, maar gedachtenis is geen levende aanwezigheid. En gedachtenis slijt. De Karmelietessen-opera met al zijn paassymboliek gaat trouwens ook meer over het zich voorbereiden op de eigen dood, het berusten in eigen lijden, dan over het verdragen van de dood van een ander. Dat is soms misschien wel moeilijker.

Slijten, dat is het enige. De psalmen lezen misschien, die voor-Christelijk zijn en gewoon zeggen hoe het is, het mensenleven: bijna niets. ,,De sterveling zijn dagen zijn als het gras,/ als een bloem des velds, zo bloeit hij; wanneer de wind daarover is gegaan, is zij niet meer,/ en haar plaats kent haar niet meer.'' Maar soms kent de plaats de bloem nog wel. Als de plaats de moeder van de bloem is.