Ron Carter

Hij debuteerde in '60 bij nieuwlichter Eric Dolphy en werd groot in het tweede kwintet van Miles Davis. Hij diende vervolgens zoveel meesters dat zijn output als begeleider inmiddels meer dan duizend platen beslaat. De behoefte om als leider op te treden toonde bassist Ron Carter slechts af en toe en de laatste jaren uiterst zelden. Is het verschijnen van Stardust om die reden al bijzonder, nog opmerkelijker is het repertoire. Want behalve de titelsong, een klassieker uit '27, verwijst alles op deze cd naar tijden die Carter (1937) als musicus zelf niet heeft meegemaakt. Zoals Gershwins niet stuk te krijgen The Man I Love en drie stukken van de roemruchte bebop-bassist Oscar Pettiford (1922-'60) waaronder de standard Bohemia after Dark.

Ook in de stukken die Carter zelf voor deze cd schreef, domineert het verleden. Tamalpais is een deinend, contrapuntisch opgezet walsje dat aan het Modern Jazz Quartet refereert en het langzame Nearly een parafrase op All Blues van de Miles Davis van vóór zijn tijd.

Van de sidemen die Carter uitkoos voor deze nostalgie-trip passen saxofonist Benny Golson, pianist Roland Hanna en vibrafonist Joe Locke uitstekend. Alleen de veel jongere Lenny White drumt een tikje te modern.

In het titelstuk waarin de laatste ontbreekt, blijkt het sterkst wat Ron Carter (1937) bindt aan wijlen Oscar Pettiford: een tweede leven als cellist. Dat zwarten ook cello zouden kunnen spelen was in het Amerika van een halve eeuw geleden nog net zo ondenkbaar als een auto met een lengte van slechts drie meter vijftig.

Ron Carter: Stardust (Somethin'else 7243 5 37813). Distr. EMI