Priesterlijk wangedrag

Naar aanleiding van het hoofdredactioneel commentaar `Priesterlijk wangedrag' (NRC Handelsblad, 22 maart), het volgende.

De katholieke kerk heeft het probleem van seksueel misbruik van minderjarigen door priesters steeds ernstig opgevat. De kerk heeft sinds haar bestaan steeds gepleit voor publieke moraal en het algemeen goed. In het wetboek voor kerkelijk recht van 1917 (canon 2359) werden straffen bepaald. In het huidige wetboek van 1983 canon 1395 staat dat ,,Een clericus die een (seksueel) misdrijf bedrijft met geweld of bedreigingen of in het publiek of met een minderjarige, met rechtvaardige straffen gestraft moet worden, wegzending uit de clericale staat eventueel niet uitgesloten''.

Paus Johannes Paulus II heeft de ernst van dit gedrag betreurd, zoals in toespraken aan de bisschoppen van de VS of in de apostolische exhortatie Kerk in Oceanië zijnde een blamage voor het leven van de kerk en een hindernis voor de verkondiging van het evangelie.

Op 30 april 2001 zijn er normen uitgevaardigd voor de bescherming van de heiligheid van de sacramenten, met speciale aandacht voor pedofilie in onderwijsinstellingen.

In canoniek-technische termen is pedofilie een seksueel misdrijf met een minderjarige; de verjaring is verlengd tot 10 jaar en deze beginnen pas te tellen vanaf het bereiken van de 18 jarige leeftijd. De normen voorzien in een eerlijk proces gericht op het achterhalen van de waarheid en het verdrijven van vage verdachtmakingen.

Overeenkomstig een oude kerkelijke traditie worden interne zaken intern behandeld, wat niet betekent dat de kerk zich aan de burgerlijke wetgeving onttrekt. De wetten van de kerk zijn serieus hoewel de priesters, zoals mensen uit elke willekeurige beroepsgroep, ook kinderen zijn van de eigen maatschappij.