Kruis, gleuf of krans

De tijd dat een schroef simpel een gleuf in de kop had is voorbij. Er is nu een veelheid aan koppen: Phillips, Torx, Pozidrive, Cedex....

Houtschroeven, metaalschroeven en bouten hebben altijd een kop waarmee ze aangedraaid kunnen worden. In klassieke tijden hadden hout- en metaalschroeven voor deze aandrijving gewoon een sleufkop: een kop met een gleuf erin. Bouten hadden meestal een zeskantige kop.

Maar deze klassieke tijden zijn definitief voorbij. Iedere doe-het-zelver heeft tegenwoordig naast de platte schroevendraaiers ook enkele `kruiskop'-schroevendraaiers in huis. Daarnaast heeft hij accuschroevendraaier met schroefbits en een setje L-vormige inbussleutels voor zogenaamde Allen- of hexagonkoppen.

In de professionele wereld zijn er inmiddels geheel andere schroefaandrijvingen bijgekomen. Het bekendst is inmiddels de Torx. De meeste automerken schroeven hun auto's grotendeels met Torx-schroeven in elkaar. Een Torx-kop is een zeshoekige krans. Hij is geschikt voor het mechanisch aanbrengen van schroeven, omdat hij goed sluit op de schroevendraaier – de schroef valt er niet makkelijk af. Daarnaast kun je hem zeer strak aandraaien. Dat komt doordat de Torx-vorm een groot contactvlak mogelijk maakt en omdat dit vlak exact haaks op de draairichting staat. De Torx-aandrijving is een gepatenteerde vorm van de Amerikaanse firma Textron-Camcar. Inmiddels zijn er vele variaties ontwikkeld, zoals de Torx-plus, Torx-align en de AW-aandrijving van de Duitse schroevenreus Adolf Würth.

Door het grote succes van de inwendige Torx-kop is er inmiddels ook een uitwendige Torx-kop, die nu in hoog tempo de klassieke zeskantige boutkop aan het verdrijven is. De belangrijkste reden is dat Torx een veel grote schroefmoment verdraagt en dat hij goed past in de moderne, gemechaniseerde garageaanpak. De zelfsleutelaar merkt dat hij zijn gereedschap voortdurend moet aanvullen. Torx-bitjes voor kleine schroefjes zijn in iedere ijzerhandel te koop, zodat de Torx-schroefjes in pc's, laptops en andere apparatuur, aangebracht om de leek van zelf repareren af te houden, inmiddels weinig zin meer hebben.

De huidige explosie aan steeds weer nieuwe vormen van schroefaandrijvingen is mogelijk geworden door de uitvinding van de verwisselbare schroefbit. Deze is gepatenteerd door George H. Cluthe in 1965, maar hij had er geen succes mee. Pas na het verlopen van het patent overspoelde een golf van vergelijkbare ontwerpen de markt. Wie nu in de klushal een bitsetje meegrabbelt, kan zich nauwelijks voorstellen dat een goede schroevendraaier vroeger een kostbare investering was.

De huidige vormenrijkdom aan schroefkoppen werd voorafgegaan door een lange periode van langzame verandering. In 1908 patenteerde de Canadees Peter Lymburner Robertson een schroefvatting en een schroevendraaier van een zuiver vierkante vorm. De Robertson-schroef was een sprong voorwaarts omdat de schroevendraaier bij het aandraaien niet makkelijk uit de kop kon schieten – het grote nadeel van de klassieke sleufkop. Ook bleef de schroef vanzelf op de schroevendraaier zitten, zodat je met één hand een schroef kon aanbrengen. De Robertson-aandrijving is nog steeds ongekend populair in Noord-Amerika - 90 procent van de houtschroeven in Canada heeft een Robertson-kop en 10 procent in de Verenigde Staten. De oversteek naar Europa heeft de Robertson-kop niet gemaakt. Op de Robertson-kop zijn de afgelopen jaren enkele variaties gemaakt. Zo is er de Recex-kop van Pan American Screw die een combinatie van een Robertson- en een kruiskop is, aan te draaien met een Robertson-schroevendraaier of met een kruiskop, maar het liefst met een speciale Recex-schroevendraaier. De Recex-schroef beheerst een bescheiden deel van de Amerikaanse markt. Een veel wijdere verspreiding heeft de Phillips-kop, een kruiskop die in 1936 door de Amerikaan Henry F. Phillips gepatenteerd werd (samen met Thomas M. Fitzpatrick). Phillips is de grondlegger van de Phillips Screw Company, maar heeft zelf nooit een schroef geproduceerd. Zijn firma beheerst echter met patenten een groot deel van de schroevenmarkt.

Het grote voordeel van de kruiskop is dat hij zelfcentrerend is: de schroevendraaier blijft vanzelf goed in de schroef zitten. Dit maakt hem uiterst geschikt voor snelle industriële assemblagewerkzaamheden. Al enkele jaren na de intruductie van de eerste Philips-schroeven werd het de algemene schroefkop in de auto-industrie, althans voor plaatwerk. Na de Tweede Wereldoorlog veroverde de schroef ook terrein buiten de industrie.

Het grote nadeel van de Phillips-schroef is dat de vorm van de sleuf niet goed recht is. Bij grotere kracht springt de schroevendraaier los, waarbij de kop beschadigd wordt. Dit probleem van cam-out werd door de Phillips Screw Company tijdig onderkend, waarna in de jaren zestig een verbeterde schroefkop werd uitgebracht. Deze nieuwe vorm, Pozidrive geheten, is wereldwijd aanvaard als de beste aandrijving van middelgrote houtschroeven. In Europa is het de dominante schroefvorm, in de Verenigde Staten nog steeds Phillips. Phillips en Pozidrive zijn er in vijf maten (0 tot 4) en worden aangeduid met P(H) en P(Z). Pozidrive is daarnaast herkenbaar aan de `ster' binnen het kruis.

Het door elkaar gebruiken van Phillips-schroevendraaiers en Pozidrive-schroeven en omgekeerd is af te raden – ze passen niet goed in elkaar raken daardoor beschadigd. Naast Phillips en Pozidrive is er in de Verenigde Staten nog een derde kruiskop, de Frearson van Reed & Prince die enkele procenten van de markt heeft. Een Frearson-kruiskop heeft zodanige schuine sleuven dat met één schroevendraaier alle maten Frearson-schroeven aan te draaien vallen. Het probleem van cam-out is echter groot.